Alle soorten › Zangvogels › Prieelvogels › Meiboombouwer

Meiboombouwer | Prionodura newtoniana

Golden Bowerbird | Pergolero dorado

De meiboombouwer, de kleinste prieelvogel ter wereld, maakt het grootste bouwwerk. Een mannetje van nog geen vijfentwintig centimeter stapelt om twee jonge stammetjes twee torens van takjes op, soms tot boven manshoogte, en verbindt ze met een dwarsliggende zangstok. Zo'n meiboom wordt jaar na jaar verder opgehoogd en staat uitsluitend in het bergregenwoud van de Wet Tropics van Noordoost-Queensland.

Meiboombouwer (Prionodura newtoniana)
Foto: Scott Williams — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het kenmerkende geluid bij de meiboom is een pulserende ratel van een tot twee seconden, enkele malen achtereen herhaald, met de klank van een opgewonden mechaniekje. Daartussen klinken gierende uithalen, krassende schrobbers en heldere fluitjes, en het mannetje weeft nabootsingen van andere regenwoudvogels door zijn vertoning. Het roepen piekt van september tot december, vroeg in de ochtend.

Luister: RoepXC170755

Opname: Henk Krajenbrink — CC BY-NC-SA 3.0 · Mt Lewis, Queensland, Australia · xeno-canto

Herkenning

Het volwassen mannetje is olijfbruin op kop, rug en vleugels, met een goudgele kruin, nek, staart en onderdelen; in een zonnevlek op de bosbodem licht dat goud fel op. Het vrouwtje is olijfbruin boven en asgrijs onder, zonder enig goud, en jonge vogels lijken daarop. De bouw is klein en gedrongen, met een korte snavel en korte ronde vleugels. Het bouwwerk zelf verraadt de soort het snelst: geen tweewandig laantje zoals bij de grijsnek-, grijze en okerbuikprieelvogels van het geslacht Chlamydera, maar een torenvorm — twee kolommen van in elkaar geklemde takjes die rond twee dicht bijeenstaande stammetjes omhoog worden gebouwd, verbonden door een horizontale stok waarop het mannetje zingt. De versiering hangt aan de torens in plaats van dat zij ervoor ligt: bleke baardmossen, witte bloemen en groenige vruchten, steeds op ooghoogte van de zangstok aangebracht.

Verwarrings­soorten

Een vrouwtje of jonge vogel is een onopvallend olijfbruin vogeltje en wordt in het regenwoud voor de bruine katvogel (Scenopoeetes dentirostris) gehouden; die is echter fors groter, zwaarder van snavel en dicht donker gestreept op de onderdelen, terwijl de meiboombouwer effen asgrijs onder is. De katvogels van het geslacht Ailuroedus zijn fel grasgroen boven en veel groter. Een vrouwtje van Victoria's geweervogel (Ptiloris victoriae), die in hetzelfde bos leeft, heeft een lange gebogen snavel en donkere pijlvlekken op de onderdelen. Een gouden mannetje is in dit gebied met niets te verwarren.

Leefgebied

Tropisch bergregenwoud met een gesloten kroondek, vrijwel altijd boven driehonderdvijftig meter en het talrijkst boven negenhonderd meter, waar de wolkenbank het bos koel en nat houdt. De meibomen staan op flauwe hellingen, op ruggen vlak onder de kam en op plekken waar het terrein onder een steile helling weer vlak wordt; het kroondek boven zo'n plek is meestal dichter dan zeventig procent. De vogel is aan die koele hoogte gebonden en komt in het warme laagland niet voor.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in de Wet Tropics van Noordoost-Queensland, in een reeks losse bergblokken tussen het achterland van Cooktown in het noorden en het Paluma-gebied in het zuiden, met het Atherton-plateau als kerngebied. De verspreiding is daarbinnen onregelmatig: bezet is wat hoog en koel genoeg is, en de tussenliggende dalen zijn leeg. Standvogel, die het hele jaar bij dezelfde meiboom blijft; jonge mannetjes bouwen eenvoudiger torens in de marge van een bezet gebied.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek niet de vogel maar de meiboom. Loop in het bergregenwoud met de ogen op kniehoogte langs de bosbodem en let op twee dicht bijeenstaande stammetjes met een opvallend nette takkenstapel eromheen en een bleke vlek baardmos op ooghoogte. Kom er in het voorjaar van het zuidelijk halfrond, tussen september en december, vroeg in de ochtend, ga op tien meter afstand zitten en wacht op de ratel; het mannetje komt meestal binnen een halfuur terug op de dwarsstok.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT). De soort zit gevangen in een koele hooglandband waarboven niets meer ligt: bij opwarming schuift het geschikte klimaat de bergtop af. Tellingen wijzen op een afname in de orde van twintig tot dertig procent, toegeschreven aan cycloonschade aan het kroondek en aan de opwarming van het bergklimaat. Het areaal ligt vrijwel geheel binnen het werelderfgoedgebied van de Wet Tropics, zodat kap en ontginning geen rol meer spelen; het klimaat zelf laat zich daarmee niet beschermen.

Wetenschappelijke naam

Prionodura newtoniana | De Vis, 1883

De Vis beschreef de soort in 1883 en plaatste haar meteen in een eigen geslacht, zodat auteur en jaartal zonder haakjes staan. Prionodura is gevormd uit Grieks prion (zaag) en oura (staart); waar die zaag precies op slaat is uit de oorspronkelijke beschrijving niet op te maken. De soortnaam newtoniana eert de Britse ornitholoog Alfred Newton. De Nederlandse naam meiboombouwer vertaalt het Engelse maypole-type: het bouwsel lijkt op een meiboom, een paal met versiering eromheen.