De leefgebieden van Australazië
Elke soort in deze gids is gekoppeld aan de leefgebieden waar hij in Australië, Nieuw-Zeeland en op de omliggende eilanden het meest voorkomt. Ze staan hieronder per hoofdgroep, van zee tot stad. Per vogel staan er hooguit zeven: niet alles waar hij ooit is gezien, maar waar hij werkelijk thuishoort.
Klik op een leefgebied voor de beschrijving.
Zee A
Alle leefgebieden waarin het open zeewater bepalend is, van de branding tot ver buiten het zicht van land. De onderverdeling volgt de watermassa en de bodem: het warme water boven het continentaal plat, de koude zee ten zuiden van de subtropische convergentie, en als enige bodemgebonden formatie het kelpwoud op ondiepe rots. Wat bij eb droogvalt hoort niet hier maar bij de kust. Voor vogels loopt het bereik van soorten die vlak achter de branding duiken tot soorten die alleen om te broeden aan land komen.
-
Zee en continentaal plat A1
Curtis Island, Bass Strait · Gibbo51 · CC BY-SA 3.0
117 soorten
Het water vanaf de branding tot de rand van het continentaal plat, waar de bodem bij ongeveer tweehonderd meter wegvalt. Verder naar buiten begint de oceaan, en ten zuiden van de subtropische convergentie de koude subantarctische zee. Rots met kelp binnen duikbereik telt apart; wat bij eb droogvalt hoort bij de kust. Het plat is breed in de Golf van Carpentaria en achter het Great Barrier Reef, smal voor Nieuw-Zuid-Wales en de oostkust van het Noordereiland, met opwelling bij de Bonney-kust en Kaikoura. Kleine jagers jagen sterns hun vangst af, roodstaartkeerkringvogel en opaalstern zweven boven het warme water bij Norfolk, en de geeloogpinguïn foerageert op het plat voor Otago.
-
Subantarctische zee A2
Macquarie-eiland · M. Murphy · Public domain
57 soorten
De koude zee ten zuiden van de subtropische convergentie, boven het Campbell-plateau en rond Macquarie, de Antipoden, Campbell, de Auckland-eilanden en de Snares. Het front zelf is de grens met het plat: daar dalen temperatuur en zoutgehalte binnen enkele zeemijlen. De eilanden zelf horen bij de kust. Dit is een wereld die met de Australische kust niets te maken heeft: de veertigers en vijftigers, een westelijke deining die nooit gaat liggen, water van vijf tot twaalf graden, en voedsel in de vorm van krill, inktvis en lantaarnvisjes. Wilson stormvogeltjes dansen over de golfdalen, Kaapse stormvogels volgen het kielzog, de noordelijke koningsalbatros scheert laag over het front en de geeloogpinguïn blijft binnen bereik van zijn eiland.
-
Kelpwoud en ondiepe rotsbodem A3
Taieri Island, Otago · IcknieldRidgeway · CC BY-SA 4.0
7 soorten
Vaste rots onder de laagwaterlijn, begroeid met grote bruinwieren, tot de diepte waar het licht tekortschiet, meestal tussen de twintig en dertig meter. Dezelfde rots die bij eb droogvalt hoort bij de rotskust; boven zand of dieper water ligt het open zeegebied. Op de blootgestelde randen zit bull kelp, Durvillaea antarctica, die bij elke golf omslaat; in beschut koud water staan de wouden van Macrocystis pyrifera bij Fiordland, Stewarteiland, Otago en Tasmanië, en langs de hele zuidkust vormt Ecklonia radiata de lage onderlaag. Zee-egels grazen hele stukken kaal. Tussen de stengels jagen duikende vogels op vis, kreeftachtigen en schelpdieren, en bij laag water is de blootliggende wiergordel zelf een foerageerplek.
Kust B
De smalle strook waar land en zee elkaar raken, van de stormvloedlijn tot de laagwaterlijn, met daarbij de begroeiing die van zout leeft. De onderverdeling volgt de ondergrond: los zand, harde rots, en fijn sediment dat bij eb droogvalt. Daarnaast staan twee zouttolerante vegetaties, de mangrove en de kwelder, en ten slotte apart de kust van de subantarctische eilanden, want de tussock daar en de vogels die erin broeden hebben met de Australische kust niets gemeen.
-
Zandstrand en duin B1
Sandy Cape, K'gari (Fraser Island), Queensland · John Robert McPherson · CC BY-SA 4.0
88 soorten
Los, beweeglijk zand boven de gewone vloedlijn: het droge strand, de eerste duinenrij en de kerven en overstuivingen daarachter. Waar het sediment fijn wordt en nat blijft begint het wad, harde rots hoort bij de rotskust, en zodra het zand vastligt en struiken het overnemen gaat het over in kustheide. Op de voorduinen groeit spinifex, in Nieuw-Zeeland pingao; helm is vrijwel overal ingevoerd. Lange oceaanstranden liggen bij Eighty Mile Beach, de Coorong, Ninety Mile Beach en Farewell Spit. Australische griel loopt over het tropische strand, maskerkievit en Australische zwarte scholekster broeden boven de vloedlijn, witkopmeeuwen zitten op de schelpenbanken en zilverplevieren rusten er het hoogwater uit.
-
Rotskust en zeeklif B2
Kaap Raoul, Tasman National Park, Tasmanië · JJ Harrison · CC BY-SA 3.0
89 soorten
Harde rots aan zee, van de spatzone tot de laagwaterlijn, met het klif erboven en de zode op de rand. Onder water gaat dezelfde rots over in het kelpwoud; waar zand het overneemt begint het strand, waar slik droogvalt het wad. Het gaat om het basalt van Victoria en Otago, het zandsteen bij Sydney, het graniet van Tasmanië en Fiordland en de kalkwand van de Bunda Cliffs, met Poa-zode op de koppen. De noordelijke koningsalbatros broedt op de klifrand bij Taiaroa Head, geeloogpinguïns komen er aan land, Australische zwarte scholeksters lopen op de natte rots, welkomzwaluwen nestelen onder overhangen en jan-van-genten bezetten de vlakke toppen, waar zich een enkele Kaapse jan-van-gent bij voegt.
-
Wad, estuarium en kustlagune B3
Inglis River, Wynyard, Tasmanië · Gary Houston · CC0
127 soorten
Slik, slibrijk zand en zand die bij eb droogvallen, met het brakke water erachter: estuarium, haven en kustlagune. Los droog zand hoort bij het strand, waar zoutplanten wortelen begint de kwelder en waar bomen staan de mangrove; boven de getijdengrens gaat het over in binnenwater. De grote platen liggen bij Roebuck Bay en Eighty Mile Beach, rond de Golf van Carpentaria, in Moreton Bay, aan de Firth of Thames en Manukau en achter Farewell Spit, vaak met zeegras aan de bovenrand. Kleine regenwulp en zilverplevier halen er wormen en krabben uit, bandsteltkluten zwemmen in het ondiepe zout, en Australische pelikaan, witwangreiger en zwarthalsooievaar vissen in de geulen.
-
Mangrove B4
Daintree River, Queensland · Iraphne R. Childs · CC BY 4.0
108 soorten
Bomen en struiken die in de getijdenzone wortelen, van de zeewaartse gordel van Avicennia en Sonneratia tot de landwaartse rand waar de kwelder of het droge land begint. De kale plaat ervoor en de geulen ertussen horen bij het wad. Dit is in dit gebied een noordelijk verschijnsel: op Kaap York en in de Kimberley staan gesloten bossen met tientallen soorten, naar het zuiden toe verschraalt het tot laag struikgewas van alleen Avicennia bij Western Port. Nieuw-Zeeland heeft één soort, die bij Ohiwa en Kawhia zijn zuidgrens bereikt. Streepborstwaaierstaart en Sahoelhoningzuiger werken de kroon af, glansvlekdrongo en grijskraagvijgvogel zitten in de randen, kleine bonte aalscholvers drogen op de wortels, en visarend en zwarthalsooievaar jagen in de kreken.
-
Samphire en zoutkwelder B5
Salt Creek, de Coorong, Zuid-Australië · Hullwarren · CC BY-SA 3.0
51 soorten
Lage, vlezige zoutplanten op klei en slib boven de gewone hoogwaterlijn, alleen bij springtij overspoeld. Eronder ligt de kale wadplaat, zeewaarts staat de mangrove waar bomen stand houden, en landinwaarts gaat het over in grasland of struweel. Dezelfde begroeiing rond de zoutmeren van het binnenland telt hier mee, omdat het om dezelfde planten gaat. Het zijn velden van Tecticornia en Sarcocornia, met zoutgras en zeebies in het nattere zuidoosten; grote oppervlakten liggen achter de Golf van Carpentaria en langs de golven van Spencer en St Vincent. Bandsteltkluut en zilverplevier foerageren op de open plekken, graszanger en grijsborstral houden zich in de dichte zode, en op de zuidelijke kwelders overwintert Neophema chrysogaster.
-
Kust en tussock van de subantarctische eilanden B6
Enderby Island, Aucklandeilanden · Marshelec · CC BY-SA 4.0
49 soorten
De kust van Macquarie, de Snares, de Auckland-eilanden, Campbell, de Antipoden en de Bounty: rotskust, keienstrand en de gordel van tussock en megakruiden erboven, tot waar het struweel of het rata-bos begint. Er is hier geen mangrove, geen kwelder en geen wad, en de zee eromheen is de subantarctische zee. Poa foliosa en Poa litorosa vormen bulten van manshoogte, daartussen staan Stilbocarpa polaris, Pleurophyllum en Bulbinella rossii, en op Campbell waait het op tweehonderdtachtig dagen per jaar hard. De veenbodem zit vol holen. Kaapse stormvogels broeden op richels, geeloogpinguïns lopen door de tussock naar hun nest, de noordelijke koningsalbatros heeft een handvol paren op Enderby, en de heggenmus is er ingevoerd.
Binnenwater C
Alle open water van het binnenland, staand of stromend, zoet of zout, zolang het buiten het bereik van het getij ligt; kwelder, mangrove en estuarium horen bij de kust. De onderverdeling volgt de waterhuishouding: permanent stilstaand water (C1), stromend water met begroeide oever (C2), de grindrivieren van Nieuw-Zeeland (C3) en de kommen die alleen na regen vollopen (C4). Sluit de oevervegetatie zich boven de spiegel, dan begint het moeras. Kenmerkend voor Australië is de onvoorspelbaarheid: het waterbestand verspringt van jaar tot jaar en de vogels trekken mee.
-
Meren, poelen en stuwmeren C1
Barmah National Park, Victoria · AcaciaFlowstone · CC BY-SA 4.0
100 soorten
Permanent staand water met een open spiegel: kratermeren, gletsjermeren, afgesneden rivierbochten, stuwmeren, veedammen en stadsvijvers, zoet tot licht brak. Staat het water er alleen na regen, dan is het een efemeer meer; sluit riet of lisdodde de spiegel, dan wordt het rietmoeras; stroomt het, dan is het een rivier. Het beeld loopt sterk uiteen, van de maarmeren van het Victoriaanse Western District en de vulkanische meren van Rotorua en Taupo tot de gletsjermeren van Otago en de veedammen van het boerenland. Zwarte zwaan, meerkoet, wenkbrauweend, manengans en Australische taling drijven op de open spiegel, Australische dodaars en kleine bonte aalscholver duiken langs de ondiepe rand, en visarend en witkopmeeuw patrouilleren erboven.
-
Rivieren en kreken C2
Katherine River, Noordelijk Territorium · Yewenyi · CC BY-SA 3.0
73 soorten
Stromend water in een vaste geul met een begroeide oever: permanente laaglandrivieren, seizoenskreken die in de droge tijd tot losse waterholes uiteenvallen, en snelle bergbeken. Vlecht de rivier over kaal grind, dan hoort hij bij de vlechtende rivier; staat het water stil achter een stuw, dan telt het als meer; de billabongs naast de geul horen bij het moeras. Langs de Murray en de Darling staat Eucalyptus camaldulensis tot in het water, in het Top End zijn de kreken door pandanus en melaleuca omzoomd. Australische pelikaan, Australische slangehalsvogel en kleine bonte aalscholver vissen in de diepe bochten, witwangreiger en zwarthalsooievaar lopen de ondiepe rand af, en de witrugzwaluw graaft zijn nestgang in een zandoever.
-
Vlechtende rivier C3
Waimakariri, Canterbury · Michal Klajban · CC BY-SA 4.0
14 soorten
Brede grindbeddingen waarin het water zich over vele ondiepe geulen verdeelt en bij elk hoogwater een nieuwe loop kiest. Het grootste deel van de bedding ligt droog: kale banken, lage eilandjes en schaars begroeide terrassen, zonder gesloten oeverbos. Het type is vrijwel beperkt tot Nieuw-Zeeland, waar de rivieren uit de Zuidelijke Alpen (Waimakariri, Rakaia, Rangitata, Waitaki) als waaiers over de Canterbury-vlaktes lopen, met uitlopers in het Mackenzie-bekken. De bedding levert weinig plantaardig voedsel maar veel insecten en biedt kale broedplaatsen met vrij uitzicht. De vogels van dit terrein leggen schutkleurige eieren op het grind en verliezen legsels aan hoogwater, aan ingevoerde roofdieren en aan de lupine, brem en kraakwilg die de banken dichtzetten.
-
Claypan en efemeer meer C4
Kati Thanda–Lake Eyre, Zuid-Australië · eyeintim · CC BY 2.0
47 soorten
Ondiepe kommen met een dichte klei- of zoutbodem die het water vasthoudt en die meestal kurkdroog en kaal liggen: claypans, gilgai, playa's en de grote zoutmeren van het binnenland. Het verschil met een gewoon meer is de duur en niet de omvang: Kati Thanda-Lake Eyre is bij een vulling het grootste meer van het continent, maar liep in anderhalve eeuw maar enkele keren vol. Het water komt van ver: regen in Queensland bereikt via Cooper Creek en de Diamantina weken later het bekken. Dan explodeert het voedselaanbod met pekelkreeftjes, insecten en vis, en verschijnen Australische pelikaan, bandsteltkluut, Australische taling en zwarte ibis in tienduizendtallen; ekstergans, Australische kraanvogel, steltvorkstaartplevier en kleine regenwulp benutten de drooggevallen rand.
Moerassen en venen D
Natte grond waarop planten wortelen, tegenover het open water van het binnenwater: hier bepaalt de begroeiing het beeld en niet de waterspiegel. Drie formaties, geordend naar bodem en voedselrijkdom: mineraal moeras met riet, lisdodde en biezen (D1), zure veen- en zeggegronden op turf of uitgeloogd grind (D2), en moerasbos onder melaleuca (D3). Getijdenkwelder en mangrove vallen onder de kust, droge graslanden onder de graslanden. De grens met het binnenwater schuift met het seizoen mee, want veel van deze terreinen staan maar een deel van het jaar onder water.
-
Zoetwatermoeras en riet D1
Kakadu National Park, Noordelijk Territorium · Warren Poole · CC BY-SA 4.0
99 soorten
Ondiep, voedselrijk zoet water waarin opgaande planten wortelen: riet, lisdodde, biezen en Eleocharis, met daartussen open plekken en drijfbladvegetatie. Blijft de spiegel open, dan is het een meer; komt er een boomkroon boven, dan is het melaleucamoerasbos; op zure, voedselarme turf is het hoogveen of zeggemoeras. De grote voorbeelden liggen op de overstromingsvlaktes van het Murray-Darling-bekken, zoals de Macquarie Marshes en Barmah, in de billabongs van het noorden en in Nieuw-Zeeland op Whangamarino en bij het Wairarapameer. Australische roerdomp en zwart waterhoen blijven verscholen in de dichte rand, de Australische karekiet zingt uit het riet, Australische jacana en purperkoet lopen over de drijfbladeren, en ekstergans en Australische witte ibis broeden bij hoogwater in kolonies.
-
Hoogveen, pakihi en zeggemoeras D2
Okarito, westkust van het Zuidereiland · Mike Dickison · CC BY 4.0
19 soorten
Permanent natte, zure en voedselarme grond waarop veen wordt gevormd of waar uitgeloogd grind de afwatering blokkeert. Anders dan in het rietmoeras ontbreekt de voedselrijke slibbodem, en anders dan in het grasland droogt de bodem nooit werkelijk uit. Zuidwest-Tasmanië draagt uitgestrekt buttongrass-hoogveen met blanket bogs en stringbogs; in de Australische Alpen en het Tasmaanse hoogland liggen veenmosvennen; op het Noordereiland vormen restiaceeën als Empodisma de koepelvenen van de Waikato, en op de westkust van het Zuidereiland liggen de pakihi met manuka en draadbies op oude spoelgrinden. Het voedselaanbod is schraal maar de dekking dicht; de vogels van dit terrein zijn schaars en zwijgzaam en broeden laag in de zeggepollen.
-
Melaleucamoerasbos D3
Wyrrabalong National Park, Nieuw-Zuid-Wales · Doug Beckers · CC BY-SA 2.0
63 soorten
Gesloten bos of open boomlaag van melaleuca op grond die een deel van het jaar onder water staat: Melaleuca leucadendra en M. cajuputi langs de noordelijke overstromingsvlaktes, M. viridiflora op natte zandvlaktes, M. quinquenervia in de kustmoerassen van Queensland en Nieuw-Zuid-Wales. Het verschil met het rietmoeras is de boomlaag, met het gewone bos de jaarlijkse inundatie. In de natte tijd staat het water tot een meter tegen de stammen, in de droge tijd blijft vochtige modder onder een afschilferende bast. Australische slangehalsvogel, Australische witte ibis en zwarthalsooievaar nestelen boven het water, Australische goudsnip en Australische jacana zoeken de natte bodem en de drijfbladeren af, en de rosse boeboekuil jaagt er in de schemering.
Graslanden E
Open land waar het gras de vegetatie bepaalt en bomen hooguit verspreid staan. De groep reikt van de zwarte kleivlakten van Queensland en de spinifexvelden van het rode binnenland tot de tussockhoogvlakten van het Zuidereiland en de kruidenvelden boven de bosgrens. Sluit het kronendak, dan begint het bos; verdwijnt de begroeiing, dan de woestijn; blijft de bodem het hele jaar nat, dan het moeras. Voor vogels telt vooral de bouw van de grasvloer: hoogte, dichtheid en de tijd sinds de laatste brand.
-
Mitchellgrasland E1
Boulia, Queensland · John Robert McPherson · CC BY-SA 4.0
28 soorten
Vrijwel boomloze vlakten met wijd uiteenstaande pollen Astrebla op zwarte, diep scheurende kleibodem, van de Barkly Tableland in het Noordelijk Territorium tot ver in West-Queensland. Anders dan het spinifexland ligt dit grasland op klei in plaats van zand, en anders dan de savanne mist het een boomlaag: gidgee en coolibah blijven bij de kreken. Na de zomerregens schiet het gras op en houden de scheuren en gilgaikommen water vast; de rest van het jaar staat de vlakte grijs en kaal. Australische trap en Australische kraanvogel lopen over het open land, Grondrupsvogel en Steltvorkstaartplevier jagen er op insecten, Oosterse struikleeuwerik en Trapvechtkwartel houden zich in het gras, en Witborstrietvink komt naar de drinkplaatsen.
-
Tussockgrasland van Nieuw-Zeeland E2
Burwood Bush, Southland · Krzysztof Golik · CC BY-SA 4.0
24 soorten
Velden met pollen sneeuwtussock (Chionochloa) op de hoogvlakten en berghellingen van het Zuidereiland, en kortere pollen van Festuca en Poa in de droge binnenbekkens als het Mackenzie Basin en Central Otago. Boven deze zone beginnen de alpiene kruidenvelden, eronder stond oorspronkelijk beukenbos: veel kort tussockland ontstond na eeuwen van branden en beweiding op de plaats van dat bos. Tussen de pollen groeien matagouri, speergras en het ingevoerde havikskruid, en de winter brengt sneeuw en harde westenwind. De vogelbevolking is klein. De Kea zakt vanuit de bergen af naar de open hellingen, de Kakapo leefde vroeger ook in subalpiene pollenvelden, en de ingevoerde Californische kuifkwartel zit in de lagere, drogere delen.
-
Spinifexland E3
centraal Australië, Noordelijk Territorium · Mark Marathon · CC BY-SA 4.0
54 soorten
Harde, stekelige pollen Triodia op zand, grind en kaal gesteente: met bijna een kwart van het continent verreweg het uitgestrektste leefgebied van Australië, van de Pilbara en de Great Sandy Desert tot het Centrale Bergland en het westen van Queensland. De pollen staan los van elkaar met kale grond ertussen. Groeit het spinifex op hoge duinruggen, dan geldt de zandduinwoestijn; verdringt een steenpantser de begroeiing, dan de gibbervlakte. Oude pollen groeien uit tot ringen en branden om de zoveel decennia af, en die brandgeschiedenis stuurt de vogelbevolking: Spinifexzanger en Kuifdikkop vragen lang onverbrande velden, terwijl Emoe, Australische trap en Argusnachtzwaluw juist het verse open land benutten. Wigstaartarend jaagt over het geheel.
-
Savanne met eucalyptus E4
Pine Creek, Noordelijk Territorium · Kaptain Kobold · CC BY 2.0
109 soorten
Verspreide eucalypten met open kronen boven een gesloten grasvloer, in de moessongordel van noordelijk Australië: van de Kimberley over Arnhemland tot Kaap York. Het verschil met het bos zit in de kroonlaag, die hier nooit sluit; het verschil met het spinifexland in de grasvloer, hier van eenjarig sorghum, kangoeroegras en speergras in plaats van harde pollen. Het meeste van deze savanne brandt om de één tot drie jaar, laat in het droge seizoen het heetst. Regenbooglori en Grijskruinbabbelaar blijven bij de bomen, Regenboogbijeneter en Fazantspoorkoekoek bij de randen, Witborstrietvink zoekt graszaad bij de drinkplaatsen, Kleine regenwulp komt op verse brandvlakten af en Ekstergans op de aangrenzende vloedvlakten.
-
Alpiene kruidenvelden E5
Kosciuszkoplateau, Nieuw-Zuid-Wales · Thennicke · CC BY-SA 4.0
13 soorten
De zone boven de bosgrens, op het vasteland pas boven ongeveer 1800 meter, in Tasmanië al veel lager en in Nieuw-Zeeland boven de beuken- en tussockgordel. Het is een lappendeken van kruidenvelden, pollengrasland op vochtige bodem, veenmosbulten, sneeuwplekken en kaal, door vorst opengewerkt gesteente. Op het Australische vasteland beslaat het nauwelijks een duizendste van het land, verdeeld over de Snowy Mountains, de Victoriaanse hoogvlakten en het Tasmaanse centrale plateau; in de Zuidelijke Alpen loopt het door tot aan de gletsjers. Vrijwel alles ligt in de winter onder sneeuw, zodat de meeste vogels er alleen in de korte zomer broeden of foerageren en daarna naar lager gelegen land zakken.
Struweel en heide F
Houtige begroeiing waarin het kroondak nooit sluit: de kronen raken elkaar niet, of het hout blijft laag. F ligt tussen de graslanden van E, waar hout ontbreekt, en het bos van G, waar een kroondak wel dichtgaat. Mallee, mulga en saltbush maken het tot de meest uitgestrekte vegetatie van het binnenland; daarnaast vallen de bloemrijke heide van de zuidkusten en het Nieuw-Zeelandse struweel eronder. Vogels leven er laag: honingeters volgen de bloei, doornsnavels en elfjes werken de struiklaag af, en veel soorten broeden in de vegetatie zelf.
-
Mallee F1
Hattah-Kulkyne National Park, Victoria · Donald Hobern · CC BY 2.0
75 soorten
Eucalypten die met een bundel dunne stammen uitlopen uit een ondergrondse lignotuber, twee tot negen meter hoog, met een kroondak dat de bodem half beschaduwt. Het verschil met het droge eucalyptusbos (G2) zit in groeivorm en hoogte: daar één rechte stam en een hoge kroon, hier veel stammen vanaf de grond. Verdwijnt de eucalypt, dan begint het spinifexland (E3). De grootste vlakken liggen in het Murray-Darlingbekken — Big Desert, Hattah, Ngarkat — op Eyre en in de Grote Victoriawoestijn, met spinifex, zoutstruik of struikheide eronder. Brandgeschiedenis bepaalt alles. De Thermometervogel harkt zijn broedhoop van blad bijeen, Kuifdikkop en Australische boomloper horen bij oud mallee, en de Roodlelhoningeter komt af op de bloei.
-
Kwongan-heide F2
Mount Michaud, Lesueur National Park, West-Australië · Aussie Oc · CC BY-SA 3.0
30 soorten
De soortenrijke zandheide van Zuidwest-Australië: lage, dichte struiken op diep uitgeloogd, zeer voedselarm zand, met banksia, hakea, grasboom en honderden kruidachtige soorten per terrein. Komen mallee-eucalypten erboven uit, dan is het F1; vormen jarrah of wandoo een kroondak, dan G2. De oostelijke tegenhanger is F3. De kern ligt op de zandvlakten van Geraldton en Eneabba, in Lesueur, de Stirling Range, Fitzgerald River en rond Esperance. Brand keert om de tien tot dertig jaar terug. De Witooghoningeter volgt de bloei van banksia, de Grote doornkruiper en de Zwartkapborstelvogel schuilen in de oudste dichte plekken, en de Thermometervogel gebruikt de randen.
-
Oostelijke heide F3
Barren Grounds Nature Reserve, Nieuw-Zuid-Wales · Babstar · CC BY-SA 3.0
41 soorten
Lage, dichte struikheide op arme zanden en zandsteen langs de oostkust, van de wallum met Banksia aemula in Queensland via de zandsteenplateaus rond Sydney tot Croajingolong en Tasmanië. Zelden hoger dan twee meter: banksia, leptospermum, epacris, allocasuarina en grasboom. Sluit er een eucalyptuskroondak boven, dan is het G2; blijft de grond het hele jaar nat, dan hoort het bij D2; op stuifzand begint het duin (B1). De westelijke tegenhanger is de kwongan (F2). Ook hier stuurt de tijd sinds de laatste brand de vogelbevolking. De Witooghoningeter komt af op banksia en epacris, en Bruine doornsnavel, Ornaatelfje en Grijze waaierstaart houden zich in de struiklaag op.
-
Mulga en acaciastruweel F4
centraal Australië, Noordelijk Territorium · Mark Marathon · CC BY-SA 4.0
87 soorten
Acacia aneura en verwante wattles op rode leem, drie tot acht meter hoog, met kale grond of een dunne grasmat ertussen. Mulga beslaat ongeveer een vijfde van droog Australië, van de Mulga Lands in westelijk Queensland en Nieuw-Zuid-Wales tot de Murchison en Gascoyne. De brigalow van de kleigronden is een eigen bos (G4); op zandvlakten neemt het spinifexland (E3) over, op kalkvlakten de zoutstruik (F5) en op steenpuin de gibbervlakte (H1). Mulga staat vaak in banden die afstromend regenwater opvangen; vuur doodt de struik. De Emoe, de Australische trap en de Roze kaketoe lopen over de kale grond, de Wigstaartarend broedt in de hoogste kronen en de Kuifdikkop blijft in het struweel.
-
Saltbush- en bluebushvlakte F5
Nullarbor, Zuid-Australië · ross bate · CC BY 3.0
56 soorten
Grijsgroene zoutstruiken van nauwelijks een meter op kalk- en kleivlakten: Atriplex vesicaria en de bluebush Maireana, ver uit elkaar en met veel kale grond. De formatie strekt zich uit over de Nullarbor, de rivierweiden van westelijk Nieuw-Zuid-Wales en de vlakten rond Lake Eyre, bij 150 tot 250 millimeter regen. Op rode leem met acacia begint de mulga (F4), op scheurende kleigrond het Mitchellgrasland (E1), binnen bereik van zout getijdewater de samphire (B5) en in de kom het zoutmeer (H4). Anderhalve eeuw schapen heeft de struiklaag uitgedund. De Emoe en de Steltvorkstaartplevier lopen over de vlakte, de Australische torenvalk bidt erboven en de Trapvechtkwartel schuilt in de laagste begroeiing.
-
Manuka- en matagouristruweel F6
Leith Hill, Canterbury · Michal Klajban · CC BY-SA 4.0
44 soorten
Nieuw-Zeelands struweel op arme grond, verlaten weide en droge terrassen. Manuka en kanuka vormen samen zo'n drie miljoen hectare opgaand struweel, matagouri staat als doornstruik tussen de korte tussock van het droge oosten van het Zuidereiland, en brem en gaspeldoorn nemen de verruigde hellingen in. Meestal is dit een tussenstadium: sluit het kroondak en komen de podocarpen erdoorheen, dan wordt het G8; valt het hout weg, dan blijft tussockgrasland (E2) over. De Toei en de Grijsrugbrilvogel komen af op de bloei van manuka, de Maorivliegenvanger en de Witkopmohoua werken de takken af, en de Noordelijke bruine kiwi scharrelt 's nachts in oud kanuka. Californische kuifkwartel, Cirlgors en Heggenmus zijn ingevoerd.
Bos G
Alles waar de kronen elkaar raken of bijna raken, van laag open bos tot bos van tachtig meter; struweel zonder kroondak valt onder struweel en heide. De onderverdeling loopt eerst geografisch. Aan de Australische kant staat het eucalyptusbos, gesplitst naar vocht: nat, droog en langs de kreek, met daarnaast brigalow, casuarina en callitris en de gesloten regenwouden van noord en oost. Aan de Nieuw-Zeelandse kant staan drie eigen bostypen, zuidelijke beuk in de bergen, podocarpen boven loofhout in het laagland en kauri in het uiterste noorden.
-
Nat eucalyptusbos G1
Sherbrooke Forest, Dandenong Ranges, Victoria · Patche99z · Public domain
124 soorten
Eucalyptusbos van dertig meter en hoger met een zachte onderlaag: boomvarens, breedbladige struiken en klimmers op diepe, vochtige grond met ruim duizend millimeter regen. Niet de kroon maar die onderlaag scheidt het van het droge eucalyptusbos, waar de struiken hard en klein zijn en gras de bodem dekt; vallen de eucalypten weg en sluit een loofkroon zich, dan is het regenwoud of beukenbos. Reuzeneucalyptus, alpine ash en messmate dragen het in de hooglanden van Victoria en Tasmanië, karri in het zuidwesten. De liervogel harkt het strooisel om, satijnblauwe prieelvogel en zwartkopzwiepfluiter blijven in de onderlaag, de witkeelkruiper werkt de stammen af, de grote geelkuifkaketoe broedt in oude holtes en de zwarte kerkuil jaagt door de kloven.
-
Droog eucalyptusbos en open bos G2
Warrumbungle National Park, Nieuw-Zuid-Wales · Judychristie · CC BY-SA 4.0
248 soorten
Eucalyptusbos van tien tot dertig meter en het opener bos daarachter, op arme grond met vijfhonderd tot twaalfhonderd millimeter regen. De ondergroei is hard: sclerofylle struiken of gras, geen boomvarens, en dat scheidt het van het natte eucalyptusbos. Tegen de mallee ligt de grens bij de groeivorm, daar veelstammige stobben op een lignotuber, hier één stam met een kroon. Jarrah en wandoo in het zuidwesten, box en ironbark op de goudgronden van Victoria. Een holte van bruikbare maat doet er meer dan honderd jaar over; grote geelkuifkaketoe, prachtrosella en zwarte kerkuil hangen van oude bomen af. Roodlelhoningeter en witooghoningeter volgen de winterbloei, de tuinhoningeter verdrijft de kleine soorten, witkeelkruiper en geelvlekdiamantvogel zoeken de schors af.
-
Rivierbos langs kreken G3
Murrumbidgee, Nieuw-Zuid-Wales · MargaretRDonald · CC BY-SA 4.0
170 soorten
Smalle boomgordels langs kreken en op overstromingsvlakten, gedragen door het water dat er doorheen komt en niet door de regen die er valt: rode gomboom in het zuiden en oosten, coolibah op de noordelijke vlakten. Dat scheidt ze van het droge eucalyptusbos eromheen, dat het van regen moet hebben, en van het melaleucamoerasbos op permanent natte veengrond; het water zelf hoort bij de rivieren en kreken. Rode gommen van twee tot drie eeuwen leveren holtes in elke maat, waar roze kaketoe en blauwwangrosella in broeden en de uilnachtzwaluw en de australische dwergnachtzwaluw overdag in wegkruipen. Modderkraaien scharrelen in troepjes over de bodem, de grijskruinbabbelaar bouwt zijn takkennest in de kruin.
-
Brigalow G4
Brigalow Belt, Queensland · Mark Marathon · CC BY-SA 3.0
4 soorten
Dicht bos van Acacia harpophylla op zware, scheurende klei, negen tot vijfentwintig meter hoog en somber grijsgroen door de sikkelvormige phyllodiën. Het loopt van Narrabri in Nieuw-Zuid-Wales tot Charters Towers in Queensland, bij vijfhonderd tot zevenhonderdvijftig millimeter regen. Tegenover het acaciastruweel van het binnenland is het echt bos met een kroon boven manshoogte; tegenover het eucalyptusbos staat het op klei en niet op zand of steen. Belah, wilga en false sandalwood staan erbij. De boom loopt na kap uit de wortels weer op, maar het meeste is voor weiland geruimd; wat rest ligt in stroken langs wegen en hekken. Wat er broedt zoekt zijn kost in het strooisel en op de onderste takken.
-
Moessonbos en lianenstruweel G5
Conway National Park, Queensland · John Robert McPherson · CC BY-SA 4.0
99 soorten
Kleine gesloten regenwoudkoppen in een matrix van savanne, van minder dan een hectare tot enkele honderden, op plaatsen waar het vuur niet komt: rotspuin en kloven in het zandsteen, kustduinen en bronnen in de Kimberley, Arnhemland, het Top End en Kaap York. Een deel van het kroondek laat in de droge tijd het blad vallen. Juist dat halfbladverliezende karakter en die eilandligging scheiden het van het tropisch regenwoud, dat als aaneengesloten, altijdgroene gordel langs de veel nattere oostkust ligt. Grijskraagvijgvogel en violette purperspreeuw komen op de vijgen af, de papoeapitta werkt de bodem af, de rosse boeboekuil jaagt in de schemer, en trompetparadijskraai, sahoelhoningzuiger en citroenbrilvogel horen bij de fauna die uit Nieuw-Guinea is overgekomen.
-
Tropisch regenwoud G6
Daintree, Queensland · Robert Linsdell · CC BY 2.0
125 soorten
Gesloten, meerlagig bos met emergenten van twintig tot veertig meter, houtige lianen, epifyten, palmen en gemberachtigen op de bodem, waar ruim tweeduizend millimeter regen valt en de droge tijd kort blijft. Het ligt als aaneengesloten gordel langs de kustescarpementen van de natte tropen tussen Ayton en Mount Spec, met een uitloper op het Atherton-plateau, en zuidelijker in losse blokken bij Lamington en Dorrigo. Anders dan het moessonbos blijft het groen en hangt het aan de regen, niet aan beschutting tegen vuur. De australische stronkloper harkt het strooisel zijwaarts weg, de zwartkeelstruiksluiper blijft in de bergen, de satijnblauwe prieelvogel bouwt zijn laantje, en grijskraagvijgvogel, violette purperspreeuw en australische koekoeksduif volgen de vruchtdragende bomen.
-
Zuidelijk beukenbos G7
Nelson, Zuidereiland · Michal Klajban · CC BY-SA 4.0
45 soorten
Bos waarin één of twee soorten zuidelijke beuk het hele kroondak vullen, boven een open onderlaag van jonge beuken en mossige stammen. In Nieuw-Zeeland staan rode, zwarte, harde en zilverbeuk lager en de bergbeuk tot aan de boomgrens; in de beukengaten van Westland, Taranaki en Stewarteiland ontbreekt hij. Tegenover het podocarpen-loofbos ligt het hoger, kouder en armer, en missen de naaldbomen die daar boven de loofkroon uitsteken. Op Tasmanië en in de zuidoostelijke hooglanden nemen myrtle beech en antarctische beuk die rol over. De geweervogel loopt de schors af, witkopmohoua en maorivliegenvanger zoeken in de kruin, de toei komt op de honingdauw van de beukenschildluis af; liervogel en tasmaanse goudlijster horen bij het Tasmaanse deel.
-
Podocarpen-loofbos G8
Pureora Forest Park, Noordereiland · Geoff McKay · CC BY 2.0
49 soorten
Vijf lagen boven elkaar: emergente podocarpen van dertig tot vijftig meter, rimu, totara, matai, kahikatea en miro, boven een gesloten loofkroon van tawa, kamahi, hinau en rewarewa, daaronder boomvarens, struiken en bosbodem, met epifyten en noordelijke rata in de kruinen. Dat naaldhout dat boven het loofdak uitsteekt onderscheidt het van het beukenbos, waar het kroondak uit één of twee soorten bestaat en de onderlaag schraal blijft. Het besloeg ooit het vruchtbare laagland en heuvelland; wat rest ligt vooral op het Noordereiland en langs de westkust. De noordelijke bruine kiwi loopt 's nachts het strooisel af, de noordelijke kokako roept vanaf een hoge tak, toei en geelbandhoningzuiger volgen de bloei, en geweervogel, maorivliegenvanger en witkopmohoua werken de takken af.
-
Kauribos G9
Waipoua Forest, Northland · Prof.Chen Hualin · CC BY-SA 4.0
11 soorten
Agathis australis, met een zuilvormige, takloze stam en een kroon boven al het andere uit, op de arme zandruggen van Northland, Coromandel en Great Barrier. De boom maakt zijn eigen bodem: een dikke laag traag verterend strooisel en hars verzuurt de grond en houdt de ondergroei kort, met kauri-gras en tanekaha. Dat scheidt het van het podocarpen-loofbos, dat in dezelfde heuvels de rijkere kloven bezet, zodat beide op één helling in elkaar overlopen. Van de oorspronkelijke 1,2 miljoen hectare rest een fractie; Waipoua is het grootste blok. Phytophthora agathidicida tast de wortels aan, en er is geen middel tegen, alleen ontsmetten en gesloten paden. De noordelijke bruine kiwi scharrelt 's nachts in het strooisel, toei en geelbandhoningzuiger volgen de bloei en de geweervogel werkt de schors af.
-
Casuarina- en callitrisbos G10
Milbrulong State Forest, Nieuw-Zuid-Wales · B 897 · CC BY-SA 4.0
36 soorten
Bos en open bos van naaldachtige bomen zonder eucalyptus: witte cipres op zand en beschutte rotsruggen, belah op klei in het brigalowland, en boomcasuarina's langs de kust. De naaldtakken geven diepe schaduw en een strooiselmat met weinig gras; dat onderscheidt het van het eucalyptusbos waar het meestal als strook doorheen loopt, en anders dan de mulga heeft het een echt kroondak. Witte cipres verdraagt geen vuur en komt na jaren zonder brand terug in dichte, gelijkjarige opstanden; de kegels en harde zaden trekken kaketoes die er dagen aan werken. De thermometervogel harkt zijn broedhoop uit het strooisel, de gevlekte kwartellijster loopt de bodem af, australische boomloper en harlekijndikkop pluizen de schors en de uilnachtzwaluw zit overdag tegen een stam gedrukt.
Woestijn en kaal land H
Land waar de begroeiing het aflegt tegen steen, zand of zout en de bodem zelf het beeld bepaalt. Hieronder vallen de met kiezels geplaveide vlakten van het zuidoostelijke binnenland, de rode duinvelden van de zandwoestijnen, kale rotswanden en gorges, en de zoutkorst van de binnenlandse kommen. Blijft er een aaneengesloten laag pollen of struiken staan, dan hoort het terrein bij het grasland. Vogels leven hier van wat de wind en het toeval aanvoeren, en veel soorten zijn er alleen in de maanden na regen.
-
Gibbervlakte H1
Sturt National Park, Nieuw-Zuid-Wales · Peterdownunder · CC BY-SA 3.0
22 soorten
Vlakten die volledig bedekt zijn met dicht opeengepakte, door wind en zon gepolijste silcreetkiezels, rustend op harde en vaak zilte klei: de Sturt Stony Desert en het omringende land rond Kati Thanda-Lake Eyre, met uitlopers tot in het westen van Queensland. Nemen pollen de steenlaag over, dan begint het spinifexland; in de laagste kommen ligt het zoutmeer. De begroeiing beperkt zich tot verspreide zoutbuks en Sclerolaena in de ondiepe geulen, met na regen een kortstondig tapijt van eenjarigen. Steltvorkstaartplevier en Australische trap volgen die groei en verdwijnen weer zodra de vlakte opdroogt, terwijl Argusnachtzwaluw er overdag onopvallend op het steen rust.
-
Zandduinwoestijn H2
Andado, Simpsonwoestijn, Noordelijk Territorium · Christopher Watson · CC BY-SA 3.0
11 soorten
Lange, evenwijdige ruggen van rood kwartszand, opgebouwd door de zuidoostenwind en over tientallen kilometers in dezelfde richting doorlopend: de Simpson, de Great Sandy, de Great Victoria en de Tanami. In de Simpson zijn de ruggen twintig tot ruim dertig meter hoog en liggen ze een paar honderd meter uit elkaar, met kale, verstuivende kammen. De dalen ertussen dragen spinifex, rietgras en verspreide desert oak of mulga; zodra die begroeiing het beeld bepaalt hoort het terrein bij het spinifexland, en waar zand plaatsmaakt voor een steenpantser bij de gibbervlakte. Vogels houden zich vooral aan de duinvoet en de dalen, waar schaduw, zaad en na regen water te vinden zijn; de kale kammen worden vooral overgestoken.
-
Rots, klif en steenpuin H3
Karijini National Park, Pilbara, West-Australië · Olivia Garrity · CC BY-SA 4.0
43 soorten
Vaste rots zonder aaneengesloten begroeiing: wanden, kloven, blokvelden en steenpuin. Het omvat de ingesneden zandsteenplateaus van de Kimberley, Arnhemland en de Centrale bergen, de kliffen en gorges van de Pilbara en de Zuid-Australische ranges, en de puinhellingen en rotsvlakten boven de bosgrens in Nieuw-Zeeland. Het verschilt van de gibbervlakte doordat er reliëf is — richels, spleten en overhangen — en van de zandwoestijn doordat de ondergrond vast gesteente is. Rotslijsterdikkop en Spinifexzanger leven tegen de zandsteenwanden, Gevlekte kwartellijster op begroeide puinhellingen, Zwarte kerkuil rust overdag in de kloven, en Australische torenvalk en Wigstaartarend nestelen op richels. In Nieuw-Zeeland zoekt de Kea het blokveld boven de bosgrens af.
-
Zoutmeer en zoutpan H4
Lake Gairdner National Park, Zuid-Australië · Murray Foubister · CC BY-SA 2.0
17 soorten
Vlakke kommen met een harde, witte zoutkorst in de laagste delen van de afvoerloze bekkens van het binnenland: Kati Thanda-Lake Eyre, Lake Torrens, Lake Frome en honderden kleinere meren in de westelijke woestijnen. De meeste jaren liggen ze droog en volkomen kaal; langs de randen staat een smalle gordel samphire, die overgaat in het schrubland, blijft het water staan, dan telt het meer als binnenwater. Loopt zo'n meer vol, dan komen binnen dagen miljoenen pekelkreeftjes uit en volgt een broedgolf: Bandsteltkluut legt honderden tot meer dan duizend kilometer in één nacht af om er op de eilandjes te broeden, Australische pelikaan vormt kolonies op dezelfde plaatsen, en Zilverplevier foerageert op doortrek langs de terugtrekkende oever.
Akkers, tuinen en plantages I
Land waarvan de begroeiing is vervangen door gewassen, ingezaaid gras, aangeplante bomen of tuinbeplanting. Waar verharding en gebouwen het beeld gaan bepalen begint het bebouwde land (J); waar de eigen grasvloer of het oorspronkelijke kronendak bleef staan, hoort het gebied bij de graslanden (E), het struweel (F) of het bos (G). De groep beslaat het grootste deel van agrarisch Australië en vrijwel heel laag Nieuw-Zeeland. Voor vogels hangt alles af van wat er tussen de gewassen overbleef: losse bomen, hagen, slootkanten, bloeiende struiken en drinkwater in het droge seizoen.
-
Akkerland en boomgaard I1
Northam, West-Australië · User:JarrahTree · CC BY 2.5 au
85 soorten
Grond die wordt geploegd en geoogst, plus de aanplant die om haar vrucht staat: graan, rijst, suikerriet, boomgaard en wijngaard. Wordt het gewas beweid in plaats van geoogst, dan volgt het weiland (I2); groeit het hout om het hout, de bosplantage (I3). Droge akkerbouw beslaat vier procent van Australië, vooral in de graangordel van West-Australië; suikerriet ligt langs de kust van Queensland, rijst in de Riverina, wijngaarden van de Barossa tot Marlborough. Roze kaketoe, Grote geelkuifkaketoe en Australische kuifduif eten gemorst graan, Australische torenvalk jaagt boven de stoppel, en Grijsrugbrilvogel, Prachtrosella en Satijnblauwe prieelvogel komen op rijpend fruit af. In de rijstvelden broeden Australische roerdomp en Australische karekiet; op Nieuw-Zeelands bouwland zitten Roek en Cirlgors.
-
Weiland en veeteelt I2
Southland, Zuidereiland · Ilya Grigorik · CC BY-SA 3.0
145 soorten
Grasland dat voor vee is ingezaaid en bemest, met de ruwere beweide gronden van de veeteelt. Blijft de grasvloer inheems en wordt er alleen geweid, dan houden Mitchellgrasland (E1) en het tussockland (E2) hun plaats. Veel Australisch weiland is uitgedund bos met losse bomen erin; pas als het kronendak zich sluit begint het droge eucalyptusbos (G2). Ingezaaide weide beslaat een tiende van Australië tegenover ruim veertig procent beweide natuurlijke begroeiing; Nieuw-Zeeland legde raaigras en witte klaver aan op gebrand bos en tussock. Maskerkievit, Welkomzwaluw, Zwartrugfluitvogel en Australische slijkekster lopen op het korte gras, Witwangreiger en Kleine raaf volgen het vee, Wigstaartarend jaagt erboven, en Spreeuw, Vink en Purperkoet vullen de Nieuw-Zeelandse weiden.
-
Bosplantage I3
Bago State Forest, Laurel Hill, Nieuw-Zuid-Wales · Burraburra · CC BY-SA 4.0
28 soorten
Bomen die in blokken van gelijke leeftijd zijn geplant en als hout worden geoogst, met kaalslag, jonge aanplant en gesloten opstand naast elkaar. Dat scheidt haar van het inheemse bos (G7, G8) en van de boomgaard (I1), die om de vrucht staat. Nieuw-Zeeland heeft ruim anderhalf miljoen hectare productiebos, negen van de tien hectare Pinus radiata, met Kaingaroa als zwaartepunt; Australië plantte radiata in het zuidoosten en eucalyptus voor pulphout. De vogelbevolking hangt aan de rotatie. Witkopmohoua en Maorivliegenvanger foerageren in oudere opstanden met struiklaag, de Noordelijke bruine kiwi houdt hele territoria binnen de dennen van Northland, Vink en Heggenmus zitten in de jonge aanplant, en de Roek loopt op de kaalslag.
-
Tuinen en parken I4
Maleny, Queensland · S. Newrick · CC BY-SA 4.0
199 soorten
Beplanting die de overhand heeft: tuinen, stadsparken, begraafplaatsen, golfbanen en lanen met straatbomen. Zodra daken en verharding het beeld bepalen volgt stad en dorp (J1); anders dan in het bos (G) liggen soortkeuze en beregening hier in mensenhand. Australische voorsteden zijn ruim en laag, met besproeid gazon en met grevillea's, callistemons en uitheemse bloeiers die vrijwel het hele jaar nectar geven. Dat begunstigt vooral de grote honingeters: waar de nectarstruiken dicht staan houden Tuinhoningeter en Roodlelhoningeter kleinere zangvogels weg; Bruine doornsnavel en Ornaatelfje blijven waar de struiklaag dicht is. Regenbooglori en Grote geelkuifkaketoe komen in zwermen, op de vijvers zitten Meerkoet en Manengans, en Spreeuw, Merel, Huismus en Treurmaina zijn hier het talrijkst.
Bebouwd en industrieel J
Grond die door bouwwerken en verharding wordt bepaald: huizen, straten, kades, groeven, stortplaatsen en zuiveringsbekkens. Waar de beplanting het overneemt, in parken en tuinen, begint I4; daarbuiten liggen de akkers en het weiland. Australië en Nieuw-Zeeland horen bij de sterkst verstedelijkte landen ter wereld, met vrijwel alle steden aan de kust. Gebouwen werken als kliffen, gazons als kort grasland en afval als een onuitputtelijke voedselbron. Sommige soorten zijn erdoor talrijker geworden dan ze ooit waren, andere verdwenen bij de eerste straat.
-
Stad en dorp J1
Harrow, Victoria · Mattinbgn · CC BY-SA 3.0
82 soorten
Bebouwing waarin daken, muren en verharding het beeld bepalen, met straatbomen, gazon en achtertuinen ertussen. Domineert de beplanting, dan gaat het over in tuinen en parken (I4); voorbij de bebouwde kom begint het weiland (I2). Australische steden zijn ruim en laag gebouwd, met bloeiende eucalypten en vijgen in de straat en beregend gras, zodat nectar en water het hele jaar voorhanden zijn. Regenbooglori, Grote geelkuifkaketoe en Roze kaketoe slapen er in zwermen, de Tuinhoningeter verdrijft kleinere vogels uit hele wijken, en Zwartrugfluitvogel, Australische slijkekster, Tuinwaaierstaart en Kookaburra broeden tot in het centrum. Spreeuw, Huismus, Merel en Treurmaina kwamen met de kolonisten mee.
-
Haven, industrie en groeve J2
Fremantle, West-Australië · Ingolfson · Public domain
16 soorten
Kades, containerterreinen, havendammen, olieopslag, steengroeven, grind- en zandwinning en wegafgravingen: plekken waar beton en blootgelegd gesteente het oppervlak vormen. Waar woningen beginnen ligt J1, waar de natuurlijke oever begint de rotskust (B2) of het wad (B3); een baggerhaven houdt zijn slikplaten bij B3. Voor vogels doet dit alles zich voor als iets anders: een havendam werkt als rotskust, een uitgegraven groevebodem als steenvlakte, een steile zandwand als oeverkant, en de natte kuilen die achterblijven als poel. De Kleine bonte aalscholver zit op palen en pontons te drogen, en de Witrugzwaluw en de Regenboogbijeneter graven hun nestgangen in de kale zandwanden.
-
Vuilstort en afvalwater J3
Australië · Ropable · Public domain
34 soorten
Stortplaatsen en rioolwaterzuiveringen. De bekkens lijken op meren (C1), maar ze worden beheerd, zijn buitengewoon voedselrijk en staan nooit droog; grenst er natuurlijk moeras aan, dan valt dat onder C1 of D1. Juist daardoor zijn zuiveringsvijvers in Australië onder de beste plekken om watervogels te zien: het Western Treatment Plant bij Werribee beslaat honderdtien vierkante kilometer, is sinds 1983 Ramsargebied en leverde ongeveer 270 soorten op, van eenden en steltlopers tot de laatste overwinterende oranjebuikparkieten. Op de stort zelf komen duizenden vogels op organisch afval af. De Australische witte ibis en de Witkopmeeuw zijn er het talrijkst, de Australische dodaars broedt op de bekkens, en Treurmaina en Huismus leven rond de gebouwen.