Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Blauwgrijze honingeter

Blauwgrijze honingeter | Conopophila whitei

Grey Honeyeater | Mielero de White

De blauwgrijze honingeter behoort tot de minst waargenomen vogels van Australië — niet omdat hij zo schaars is, maar omdat hij er naar niets uitziet en in een leeg landschap woont. Hij is koudgrijs boven, valer onder, zonder geel, zonder oorpluim, zonder gezichtsstreep: een honingeter die alle kenmerken van honingeters mist. Hij leeft in de mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) van het droge midden en westen, vaak in gemengde troepjes met doornsnavels, en verraadt zich eerder door zijn metalige roep dan door zijn uiterlijk.

Blauwgrijze honingeter (Conopophila whitei)
Foto: Alan Bell — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is het beste kenmerk dat deze soort heeft. Het is een doordringend, metaalachtig, snel dubbel piepje — tsjirra-wik, tsjirra-wik — dat opvallend aan de roep van de papoearupsvogel (Coracina papuensis) doet denken en in de stille mulga ver draagt. Daarnaast klinkt een zwak, schrapend en hoog getingel, en een klagende reeks noten in snel tempo die wordt weergegeven als troe-wie, troe-wie. Wie de mulga afzoekt op deze soort, doet dat met de oren: het uiterlijk levert op afstand niets op, het geluid wel.

Luister: ZangXC566894

Opname: Mark Carter — CC BY-NC-SA 4.0 · Hale, Macdonnell Shire, Northern Territory, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een piepkleine honingeter van tienenhalve tot twaalf centimeter. De bovendelen zijn koud grijs, de onderdelen bleker, en vlak voor de rui verkleurt de vogel naar bruiner. De slagpennen en de staart zijn zwartbruin, de staartpennen met witte punten — in de vlucht het enige dat oplicht. Rond het oog ligt een vage, bleke en licht beige getinte ring, en een onopvallend oogstreepje loopt naar de snavel toe. De snavel is betrekkelijk kort, licht omlaaggebogen, grijs met een donkerder punt: het enige wat hem als honingeter verraadt. Jonge vogels hebben een flauw gelig getinte oogring en een geelgroene waas over de slagpennen. Er is geen geel in het kleed, geen pluim, geen vlek.

Verwarrings­soorten

Dit is de verwarringssoort bij uitstek, en de verwarring loopt buiten de honingeters om. De witstaartmangrovezanger (Gerygone fusca) is even klein en grijs, maar heeft een witte staartband en een geheel andere, afdalende zang. Doornsnavels van het geslacht Acanthiza — waarmee hij vaak in één gemengd troepje foerageert — hebben een korte, rechte, spitse snavel zonder buiging, en vrijwel alle soorten tonen een lichte stuit of voorhoofdstekening. Het vrouwtje van de roodkeelstruiksluiper (Pyrrholaemus brunneus) is eveneens vaal en zonder tekening, maar forser en met een langere staart. Binnen de honingeters zelf is verwarring minder waarschijnlijk: de grijskophoningeter (Ptilotula keartlandi) en de groenkaphoningeter (Ptilotula plumula) delen de mulga, maar beide hebben een gele oorvlek of een geelgroene waas die deze soort volledig mist. Wie in de mulga een klein grijs vogeltje ziet met een licht gebogen snavel en géén enkel kleurdetail, moet aan deze soort denken.

Leefgebied

Halfdroge mulga (Acacia aneura) en vergelijkbaar acaciastruweel, met de verspreiding van maretak als vermoedelijk sturende factor. Hij foerageert druk over het bladoppervlak naar lerp (suikerhoudend schildje van bladvlooien, voedsel voor honingeters) en soortgelijke insecten, hangt daarbij aan twijgen en vangt vliegende insecten in korte zweefvluchtjes. Daarnaast drinkt hij nectar uit diepe buisvormige bloemen als die van Eremophila en uit maretakbloemen, en eet hij maretakbessen. Het nest is een klein, fragiel en slordig kommetje van fijne grasstengels, gevoerd met haar en plantendons en met spinrag samengebonden, in een mulgastruik; het legsel telt één of twee eieren. Het broedseizoen loopt van augustus tot november en kan bij zomerregen tot mei doorlopen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in Australië, in het droge midden en westen: vooral de Pilbara en de Murchison in West-Australië en het zuiden en midden van het Noordelijk Territorium, met uitlopers tot in aangrenzend Zuid-Australië en Queensland. Overal binnen dat gebied is hij zeldzaam tot schaars. Hij wordt als standvogel beschouwd met nomadische verplaatsingen, maar over de omvang daarvan is weinig bekend. Met ongeveer vijfhonderd Australische waarnemingen in tien jaar is dit een van de minst gemelde landvogels van de gids — voor een soort met zo'n groot areaal een veelzeggend cijfer, dat vooral over de vindbaarheid gaat. In Nieuw-Zeeland komt hij niet voor.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Gebruik de oren en niet de ogen. Loop in de vroege ochtend door mulga met maretak, bij voorkeur langs de bekende plekken ten westen van Alice Springs of in de Murchison, en luister naar het snelle metalige tsjirra-wik. Zoek daarna in het gemengde troepje dat langskomt: tussen de doornsnavels zit dan soms één vogel met een net iets langere, gebogen snavel en witte staartpunten. Controleer altijd de snavel — recht en spits hoort bij Acanthiza, licht gebogen bij deze soort — en verwacht niet dat er ergens een kleurvlek zit, want die is er niet.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) op de Rode Lijst van de IUCN, op grond van een zeer groot areaal. Dat cijfer zegt weinig: de soort is nergens talrijk, wordt zelden gemeld en er bestaat geen bruikbare schatting van de stand. De bedreigingen die voor de mulga in het algemeen gelden, gelden ook voor haar: te uitgestrekte en te hete branden, die het acaciastruweel voor decennia terugzetten omdat mulga niet uit de wortel hergroeit, en begrazing door vee, geiten en konijnen, die de struiklaag en de jonge aanwas wegnemen. Over specifiek op deze soort gerichte maatregelen of tellingen is niets gepubliceerd dat hier kan worden aangehaald.

Wetenschappelijke naam

Conopophila whitei | (North, 1910)

Alfred John North beschreef de soort in 1910 als Lacustroica whitei, in een eigen geslacht dat inmiddels is opgegeven; omdat ze nu in Conopophila staat, gaan auteur en jaartal tussen haakjes. De geslachtsnaam Conopophila komt van Grieks konops (mug) en philos ('-minnend'), dus 'muggenliefhebber', naar de insectenrijke voeding van de groep. Het epitheton whitei eert Alfred Henry Edsworth White, zoon van de Zuid-Australische ornitholoog en verzamelaar Henry L. White. De Engelse naam Grey Honeyeater en de Nederlandse naam blauwgrijze honingeter kiezen allebei de kleur, wat voor deze vogel het enige is wat er te kiezen valt; de Spaanse naam mielero de White volgt het epitheton.