Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Blauwwanghoningeter
Blauwwanghoningeter | Entomyzon cyanotis
Blue-faced Honeyeater | Mielero cariazul
De blauwwanghoningeter is een van de weinige Australische honingeters die niemand hoeft te determineren: een forse, olijfgroen met witte vogel met een zwarte kop waarin een grote, felblauwe vlek kale huid rond het oog ligt, alsof er verf is gemorst. Hij is luidruchtig en groepsgewijs, jaagt kleinere vogels van een bloeiende boom en komt in tuinen, parken en bananenplantages zonder aarzeling dichtbij. In het noorden hoort hij bij de vroegste stemmen van de dag: een helder, doordringend geroep dat al een half uur voor zonsopgang begint.
Geluid
Een luide, gevarieerde en weinig muzikale vogel. Het bekendste geluid is een hard, ver dragend woik of kwoik, herhaald in een trage reeks en vaak door meerdere vogels overgenomen. Bij het eerste licht — dikwijls een half uur vóór zonsopgang, wanneer het nog vrijwel donker is — klinkt een fluitend wiet wiet wiet dat als een van de eerste stemmen van de dag over de tuinen en het open bos gaat. Daarnaast is er een scherp, raspend alarmgeroep waarmee een groepje gezamenlijk een uil, een slang of een indringende honingeter uit de boom probeert te jagen.
Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · Coen, Cook Shire, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een grote honingeter van zesentwintig tot tweeëndertig centimeter met een spanwijdte van ongeveer vierenveertig centimeter en een gewicht van ruim honderd gram, waarmee hij tot de zwaarste van de familie hoort. De kop en de keel zijn zwart, gescheiden van de olijfgroene rug door een witte nekband en een witte streep achter de wang; de bovendelen zijn goudolijfgroen, de onderdelen zuiver wit. Het kenmerk is de grote vlek kale huid rond het oog, bij volwassen vogels helder kobaltblauw, van veraf al zichtbaar. Jonge vogels hebben op dezelfde plek gele of geelgroene huid, die in de loop van het eerste jaar via groen naar blauw verkleurt, en zijn verder wat doffer met een grijzere bef. De snavel is stevig en zwart, de vogel vliegt met trage, krachtige slagen en is meestal in groepjes van drie tot een tiental.
Verwarringssoorten
Volwassen vogels zijn niet te verwarren: geen andere Australische vogel heeft die combinatie van goudgroene bovendelen, zuiver witte onderdelen en een blauw gezicht. De verwarring zit in het formaat en het silhouet, en dan komen de grote, lawaaiige honingeters in beeld waarmee hij het open bos deelt. De lederkoppen (Philemon corniculatus en verwanten) zijn even groot en even luidruchtig, maar hebben een naakte zwárte kop zonder blauw en vaalbruine in plaats van groene bovendelen; bij Philemon corniculatus zit bovendien een knobbel op de snavel. De lelhoningeters (Anthochaera) zijn gestreept en langstaartig zonder enige witte nekband. De Manorina-honingeters (in Australië miners genoemd) delen het brutale groepsgedrag en hebben eveneens kale huid in het gezicht, maar die is geel, ze zijn veel kleiner en grijs in plaats van groen-wit. Jonge blauwwanghoningeters met gele gezichtshuid leiden af en toe tot twijfel, maar de witte nekband en de zuiver witte onderzijde blijven dan al doorslaggevend.
Leefgebied
Open bos en bosland met eucalyptus, savanne, moessonbos en lianenstruweel, papierschorsmoeras en mangrove, kustheide en rivierbegeleidend bos, meestal in de buurt van water. Daarnaast is hij een vertrouwde verschijning in aangeplante omgevingen: parken, tuinen, boomgaarden, suikerrietvelden en vooral bananenplantages, waaraan hij de volksnaam 'banana bird' dankt. Het menu bestaat overwegend uit insecten en andere ongewervelden, die hij van stam en tak leest en onder losse bast vandaan wrikt, aangevuld met nectar en vrucht; in boomgaarden geldt hij daardoor plaatselijk als schadelijk. Hij broedt in paren, soms met helpers, en betrekt daarvoor meestal het verlaten nest van een grijskruinbabbelaar (Pomatostomus temporalis) of van een lederkop, dat hij naar eigen inzicht verbouwt. Er liggen twee, zelden drie eieren; de broedduur is ongeveer zestien dagen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Noordelijk en oostelijk Australië plus zuidelijk Nieuw-Guinea. In Australië loopt het areaal van de Kimberley in West-Australië over de Top End en het Golfland naar Kaap York en vandaar zuidwaarts langs de oostkust tot in Victoria, met uitlopers naar het zuidoosten van Zuid-Australië rond Adelaide. Naar het noorden toe wordt de soort steeds talrijker. Ze komt voor van zeeniveau tot ongeveer achthonderdvijftig meter hoogte en is grotendeels standvogel, al zwerven sommige populaties. In Nieuw-Zeeland komt ze niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Deze vogel vraagt geen zoekwerk maar aandacht voor geluid: als je in het noorden of oosten van Australië in het donker wakker wordt van een hard, fluitend geroep dat een half uur voor zonsopgang begint, is dat vrijwel zeker deze soort. Overdag vind je hem in tuinen en picknickplaatsen, waar hij opvallend weinig schuw is en van tafels eet. Let bij een groepje op de jonge vogels: als het gezicht geel of groen is in plaats van blauw, kijk je naar een vogel van het afgelopen seizoen, en dat is een aardige aanwijzing dat er in de buurt gebroed is. Zoek in het noordwesten en de Top End bovendien naar het witte vleugelpaneel van de noordelijke vorm.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) en over het hele areaal gewoon tot talrijk, met een populatie die van menselijke aanwezigheid eerder profiteert dan lijdt: tuinen, parken, plantages en drinkplaatsen hebben de soort op veel plaatsen in de kaart gespeeld en ze dringt tot in het hart van noordelijke plaatsen door. Plaatselijk staat ze bekend als plaag in boomgaarden en bananenteelt, wat tot bestrijding kan leiden, en als agressieve bloembezoeker kan ze kleinere honingeters uit goede bloeiplekken verdrijven. Verlies van holle bomen en van oud open bos raakt haar minder dan veel andere soorten, omdat ze het nest van andere vogels gebruikt in plaats van een holte.
Wetenschappelijke naam
Entomyzon cyanotis | (Latham, 1801)
John Latham beschreef de soort in 1801 als Gracula cyanotis, naar een vogel uit de omgeving van Sydney — hij hield haar overigens aanvankelijk voor drie verschillende vogels. Omdat William Swainson haar in 1825 in het nieuwe geslacht Entomyzon plaatste, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Entomyzon is gevormd uit het Griekse entomon, 'insect', en myzo, 'zuigen' of 'drinken'; cyanotis betekent 'blauwoor', van kyanos, 'donkerblauw', en ous, 'oor'. De Nederlandse naam blauwwanghoningeter, de Engelse Blue-faced Honeyeater en de Spaanse mielero cariazul wijzen alle op diezelfde blauwe gezichtshuid; in Australië gaan daarnaast de volksnamen 'banana bird' en 'blue-eye' rond. Het geslacht is eenslachtig; over de afbakening van de soort verschillen de lijsten: de noordelijke vorm albipennis, met een wit veld in de vleugel, wordt door sommige lijsten als aparte soort White-quilled Honeyeater afgesplitst, terwijl deze gids haar als ondersoort van Entomyzon cyanotis handhaaft.




