Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Westelijke blindmuis

Westelijke blindmuis | Nannospalax leucodon

Lesser mole rat | Spalax leucodon

De westelijke blindmuis is een cilindrisch knaagdier, zo zwaar als een flinke rat maar zonder zichtbare hals, oorschelpen, ogen of staart, dat zijn hele leven ondergronds doorbrengt en met zijn snijtanden gangen door de steppebodem graaft. De soort is de naamgevende soort van een van de taxonomisch moeilijkste knaagdiergroepen van Europa: onder de naam Nannospalax leucodon gingen tot voor kort ruim twintig chromosoomvormen schuil, waarvan de Mammal Diversity Database er inmiddels negen als afzonderlijke soort erkent. De onderstaande beschrijving geldt daarom in de eerste plaats voor de dieren van Odessa, Moldavië, Dobroedzja en Noordoost-Bulgarije, en pas in tweede instantie voor de acht afgesplitste soorten.

Westelijke blindmuis (Nannospalax leucodon)
Foto: Максим Яковлєв — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het dier zelf is zelden te zien; zijn graafwerk wel, en dat is omvangrijk. Het gangenstelsel telt een hoofdgang met zijgangen en meet in totaal 65 tot 195 meter, uitgespreid over 194 tot 1000 vierkante meter. De voedselgangen liggen op 15 tot 25 centimeter diepte, de diepe verbindingsgangen tot ruim vier meter; de nestkamer is ongeveer 28 bij 18 bij 16 centimeter, met gras bekleed en op 25 tot 50 centimeter diepte, en er zijn aparte voorraadkamers en latrines. De gangen zelf zijn vijf tot zeven centimeter breed. Eén dier graaft per etmaal ongeveer anderhalve meter nieuwe gang en werkt daarbij tien kilo aarde naar buiten. Die aarde komt als hopen aan de oppervlakte, en die hopen zijn het belangrijkste kenmerk: ze liggen eenentwintig tot dertig meter uit elkaar in een slingerende reeks, ze zijn breed en laag in plaats van kegelvormig, ze bestaan uit grove kluiten en niet uit fijne kruimels, en er is nooit een open gat in te zien — de gang wordt van binnenuit dichtgestopt. Een molshoop is kleiner, hoger, fijnkorreliger en komt uit een verticale schacht; Hongaars veldwerk rekent een hoop pas tot de blindmuis wanneer de voet ervan meer dan zestig centimeter meet. Verder: afgebeten wortels, bollen en knollen in de gang, voorraadkamers met zes tot twintig kilo bijeengesleepte wortels en bollen, en aan de oppervlakte plekjes waar een plant van onderaf is weggetrokken. Tot slot zijn de schedelresten in braakballen van kerkuil, steenuil, ransuil en oehoe zijn in grote delen van het verspreidingsgebied de enige harde vondstgegevens.

Herkenning

De westelijke blindmuis is een cilindrisch, halsloos dier van 15 tot 24 centimeter en 162 tot 504 gram, met een brede, platte, wigvormige kop en een zware voorhand. Mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. De vacht is fluweelzacht en naar alle kanten strijkbaar, bruingrijs met een gele, roestige of roodachtige zweem, de buik grijzer; in het noorden van het areaal dragen veel dieren witte of gele vlekken op de kop. Het gezicht is kenmerkend: een grote, kale, driehoekige neusspiegel, en daarvandaan loopt een stijve rand van lichte, borstelige haren naar achteren tot ongeveer halverwege de oorstreek; met deze rand duwt het dier de aarde weg. Oorschelpen ontbreken volledig en de ogen zijn tot lensjes van ongeveer een millimeter teruggebracht en liggen onder een gesloten huidplooi; het dier neemt geen beeld waar, alleen licht en donker. De bovensnijtanden zijn geel tot oranje, de ondersnijtanden geel of wit, en allebei steken ze vóór de lippen uit, zodat hij met gesloten mond kan bijten in de grond. Een uitwendige staart is er niet: waar bij andere knaagdieren de staart begint loopt de vacht gewoon door.

Gelijkende soorten

Binnen Europa is de blindmuis als groep onmiskenbaar — geen ander knaagdier combineert uitstekende snijtanden, ontbrekende oren, verzonken ogen en het ontbreken van een staart — maar binnen de eigen soortengroep is de soort niet op uiterlijk te herkennen. De blindmuizen van de leucodon-groep verschillen in chromosoomgetal en DNA en nauwelijks in kenmerken die in het veld te zien zijn. Daarom geldt: een blindmuis in Oekraïne, Moldavië, Roemeens Dobroedzja of Noordoost-Bulgarije is een westelijke blindmuis; een blindmuis op de Balkan of in Hongarije niet. Daar leven N. hungaricus, N. montanosyrmiensis, N. monticola, N. montanoserbicus, N. serbicus, N. bulgaricus, N. hellenicus en N. insularis, en geen van die acht is uitwendig van deze soort te onderscheiden. In Europees Turkije en op Lesbos begint bovendien het gebied van N. xanthodon, eveneens een superspecies en eveneens niet op zicht te scheiden. Wel op te lossen zijn de volgende verwarringen: de mol is kleiner, heeft schepvormige voorpoten en een kort staartje; de woelrat heeft gewone oren, ogen en een staart van een derde van de lichaamslengte; en de blinde woelmuis (Ellobius) van de Oekraïense steppe is half zo lang en half zo zwaar. Voor veldwaarnemingen volstaat de notatie blindmuis met de vindplaats; de soort volgt uit de vindplaats.

Leefgebied

De westelijke blindmuis leeft in steppe, grasland, hooiland en weide, van zeeniveau tot 2400 meter. Hij heeft diepe, losse, goed doorlatende grond met een ondergrondse voorraad aan bollen, knollen en dikke wortels nodig, en mijdt bos, moeras, rotsgrond en zwaar bewerkt akkerland. Waar het landschap dat toelaat, komt hij ook voor in bosopeningen, kleine percelen langs weiland en boomgaarden. Binnen het verspreidingsgebied van de soort in strikte zin is dat vooral de Pontische steppe en de lössrand langs de Zwarte Zee: overhoeken, kurganen, spoor- en wegbermen en de niet-geploegde randen van de grote akkers, omdat er nauwelijks nog aaneengesloten oorspronkelijke steppe over is.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

In de afbakening van de Mammal Diversity Database beslaat de westelijke blindmuis in strikte zin het noordwestelijke deel van de Zwarte Zeekust: Zuidwest-Oekraïne ten westen van de Dnjestr met de omgeving van Odessa, Moldavië, Zuidoost-Roemenië met Dobroedzja, en Noordoost-Bulgarije, waar de vorm srebarnensis van Roese, Targovisjte en Silistra bij deze soort wordt gerekend. De typelocatie ligt bij Odessa. In de oudere literatuur — en op vrijwel elke kaart van vóór 2024 — staat onder deze naam het hele gebied van Oost-Hongarije tot Griekenland en Europees Turkije; dat is het superspecies, niet de soort. Ten westen van Hongarije en de Balkan komen geen blindmuizen voor; in West-Europa, waaronder het Iberisch Schiereiland, de Lage Landen en de Britse Eilanden, ontbreekt de groep volledig.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

De westelijke blindmuis is het hele etmaal actief, met pieken die per onderzoek verschillen: het ene geeft twee toppen, rond het middaguur en rond één uur 's nachts, het andere drie, in de late ochtend, de vroege ochtend en de avond. De soort wordt als schemeractief ingedeeld omdat de uren waarin hij aarde naar boven duwt, en waarin hij dus waar te nemen is, aan het begin en het eind van de dag liggen. Hij houdt geen winterslaap en geen winterrust maar leeft door van zijn voorraad. Hij eet bollen, knollen, wortelstokken en dikke wortels, aangevuld met groen plantendeel in het late voorjaar en af en toe een insect, en werkt daarbij ruim een derde van zijn eigen gewicht per dag weg. Hij leeft solitair en is agressief tegen soortgenoten; buiten de paartijd is een gangenstelsel het gebied van één dier. De dichtheden liggen op één tot dertien dieren per hectare, uitschieters tot drieëntwintig. Drachtige vrouwtjes worden vooral in maart gevangen; na ongeveer dertig dagen worden in maart of april twee tot vier jongen geboren van zes tot zes en een halve gram, uitschieters van één tot zes. Ze worden na twee tot tweeënhalve maand gespeend en wegen eind mei al meer dan honderd gram; vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. In gevangenschap halen mannetjes vier tot vijf jaar. Predatoren zijn vos, wezel, hermelijn, steppebunzing, hond en kat, en onder de vogels steenuil, kerkuil, ransuil, oehoe, aasgier, keizerarend, arendbuizerd en zelfs ekster.

Waar en wanneer kijken

De hopen zijn gemakkelijker te vinden dan het dier. In maart of april, wanneer het gras nog laag staat en verse aarde donker afsteekt, is een bewoond stelsel in de steppe of op een ongeploegde akkerrand bij een blik over het terrein zichtbaar als een reeks brede, lage hopen die met twintig tot dertig meter tussenruimte door het gras slingert. De reeks volgt het verloop van de gang. Verse, vochtige, grofkluitige aarde wijst op een bewoond stelsel; begroeide hopen op een verlaten stelsel. Het dier zelf is alleen met geduld en geluk te zien: op enkele meters van een verse hoop wachten tot er van binnenuit een nieuwe portie aarde wordt uitgeduwd; heel soms verschijnt dan kort de kop. Graven heeft geen zin en is niet toegestaan. De meeste waarnemingen van deze soort zijn toevalstreffers: een dier dat een verharde weg oversteekt, of een dier dat door een kat of hond is thuisgebracht.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2024), maar die beoordeling vraagt een kanttekening. Zij betreft de soort zoals de Rode Lijst hem afbakent, en die afbakening komt niet overeen met de taxonomie van de Mammal Diversity Database: wat daar negen afzonderlijke soorten zijn, telt op de Rode Lijst grotendeels als één wijdverspreide soort. Voor de dieren van Odessa, Moldavië en Dobroedzja is 'niet bedreigd' waarschijnlijk juist; voor verscheidene afgesplitste soorten is het aantoonbaar onjuist, en het Handbook of the Mammals of the World stelt dat meerdere soorten uit dit complex zonder twijfel bedreigd zijn, geen bescherming genieten en dringend een eigen beoordeling nodig hebben. De bedreiging is overal dezelfde: de soort is gebonden aan ongeploegde, diepe, droge grond, en juist dat land is in Oost-Europa als eerste in cultuur gebracht. Het omploegen van een perceel betekent het einde van de dieren die eronder leven.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax leucodon | (von Nordmann, 1839) (GBIF: Spalax leucodon)

Von Nordmann beschreef de soort in 1839 als Spalax typhlus leucodon; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. leucodon is Grieks voor 'wittandig', van leukos 'wit' en odōn 'tand', naar de kleur van de snijtanden; von Nordmann zette het in hetzelfde werk tegenover xanthodon 'geeltandig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Odessa.