Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax montanoserbicus

Nannospalax montanoserbicus | Nannospalax montanoserbicus

Central Serbian Blind Mole-rat | Nannospalax montanoserbicus

Nannospalax montanoserbicus is de blindmuis van de Servische en Montenegrijnse bergweiden; een Nederlandse naam heeft de soort niet. Savić en Soldatović beschreven het taxon in 1974 naar dieren van de Zlatibor. Het areaal bestaat uit een reeks geïsoleerde bergweiden boven ongeveer zevenhonderd meter, elk met een eigen populatie en van de volgende gescheiden door bos of dal, zonder uitwisseling van dieren. In deze isolatie zijn chromosoomvormen ontstaan die zich niet meer onderling voortplanten; om die reden behandelt de Mammal Diversity Database ze sinds 2024 als afzonderlijke soorten.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Het veldwerk betreft aardhopen in bergweiden, die plaatselijk talrijk zijn. Het gaat om brede, lage hopen van grove kluiten zonder zichtbare opening, in een slingerende rij met twintig tot dertig meter tussenruimte langs de hoofdgang, die met zijgangen tientallen tot bijna tweehonderd meter lang kan zijn. De gangen hebben een doorsnede van vijf tot zeven centimeter; de ondiepe voedselgangen liggen op vijftien tot vijfentwintig centimeter, de met gras beklede nestkamer dieper. Op hoge, kortgegraasde weiden is het onderscheid met de mol van belang en soms moeilijk: een molshoop is kleiner, hoger, veel fijner van korrel en komt uit een verticale schacht, terwijl een blindmuishoop breed uitloopt en bij Hongaars veldwerk pas meetelt bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter. Verder zijn er afgeknaagde wortelstokken en bollen in de gang, kleine plekken waar een plant van onderaf is weggetrokken, en schedelresten in braakballen van oehoe en kerkuil. Een hoop bewijst het geslacht; de soort volgt uit hoogte en vindplaats.

Herkenning

Uitwendig gelijk aan de andere blindmuizen: walsvormig en halsloos, met een brede, platte kop, een grote kale neusspiegel, een borstelige lichte rand van de neus naar achteren en een fluweelzachte bruingrijze vacht met een gele of rossige zweem. De gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit, zodat de dieren met gesloten mond in de grond kunnen bijten. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn lensjes van een millimeter onder een gesloten huidplooi, en een uitwendige staart ontbreekt. Voor deze soort zijn geen eigen kop-romplengten, staartlengten of gewichten gepubliceerd; de maten van de westelijke blindmuis worden niet overgenomen. De soort wordt gedefinieerd door het karyogram: 2n = 56 chromosomen, met een armgetal dat in de literatuur als 80 of 82 wordt opgegeven, en een klein metacentrisch autosoompaar dat zij deelt met de andere vormen van wat Savić de Joegoslavische tak noemde.

Gelijkende soorten

Aan een levende blindmuis is niet te zien tot welke soort hij behoort. De vormen zijn in vacht, formaat, kopvorm en tandkleur praktisch gelijk, en de verschillen vallen binnen de variatie van elke vorm. Ook het chromosoomgetal is niet altijd beslissend: deze soort heeft 2n = 56, net als de westelijke blindmuis en de Griekse vorm epiroticus; alleen het armgetal scheidt ze. In het veld zijn hoogte en vindplaats daarom de enige aanwijzingen: bergweide boven ongeveer zevenhonderd meter in Centraal- en West-Servië, Montenegro, Kosovo en Noord-Albanië. In de Vojvodina leven N. montanosyrmiensis (op de Fruška gora en in de zandsteppe bij Subotica) en N. hungaricus, in de dalen naar het oosten N. serbicus en westelijk, in Bosnië, N. monticola. Wel te scheiden zijn de mol (kleiner, schopvormige voorpoten, korte staart) en de woelrat (normale oren en ogen, staart van ongeveer een derde van de lichaamslengte). Een blindmuis in een berm wordt genoteerd als 'blindmuis', zonder soortnaam.

Leefgebied

Bergweiden, hooilanden en droge graslanden op karstplateaus en bergruggen van de centrale Balkan, doorgaans boven zevenhonderd meter, op diepe, losse grond tussen de rotsen. De soort leeft op schapenweiden, ongemaaide randen en graslandplekken in het bergbos; gesloten bos, rots en natte bodem worden gemeden. Het geschikte terrein ligt versnipperd tussen bos en dalen, zodat elke populatie geïsoleerd is. Die isolatie verklaart het ontstaan van de soort.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De bergen van Centraal- en West-Servië, met de Zlatibor als typelocatie, verder Montenegro, Kosovo en Noord-Albanië, en mogelijk Oost-Bosnië en Herzegovina. Het areaal is gefragmenteerd in geïsoleerde berggebieden, en de grenzen zijn niet bekend: daarvoor zijn vangst en karyotypering nodig, en die zijn sinds het oorspronkelijke onderzoek van Savić en Soldatović slechts beperkt uitgevoerd. Kaarten van vóór 2024 tonen dit gebied, samen met een groot deel van de Balkan, onder de naam Nannospalax leucodon. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Over deze soort afzonderlijk is weinig vastgelegd; het volgende geldt voor het complex. De dieren leven strikt ondergronds en solitair, zijn het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, en houden geen winterslaap: in de bergwinter, onder een dik sneeuwdek, leven ze van voorraadkamers met bollen, knollen en wortelstokken die in de herfst zijn aangelegd. Eén gangenstelsel is het territorium van één dier, dat buiten de paartijd aan het eind van de winter geen soortgenoten toelaat. Na een draagtijd van ongeveer dertig dagen worden twee tot vier jongen geboren, meestal in maart of april; vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Op deze hoogten is de graafactiviteit sterk seizoensgebonden: de meeste verse hopen verschijnen in het late voorjaar, wanneer de grond ontdooit. Predatoren zijn vos, hermelijn, bunzing, herdershonden en oehoe.

Waar en wanneer kijken

Bezoek in mei of juni, zodra de sneeuw verdwenen is en het gras nog laag staat, de bergweiden van de Zlatibor, de Golija of de Tara en zoek in open weiden naar een reeks lage, brede aardhopen die met tientallen meters tussenruimte door het gras loopt; verse hopen zijn donker en grofkluitig. Het dier zelf komt vrijwel niet bovengronds. Als je op enkele meters van een verse hoop wacht, kun je soms zien hoe van binnenuit nieuwe aarde naar buiten wordt geduwd. Noteer coördinaten en hoogte, omdat in deze groep de vindplaats het enige determinatiekenmerk is, en laat de hopen verder ongemoeid.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen Nannospalax leucodon als geheel en beoordeelt die als niet bedreigd; die beoordeling zegt niets over deze soort. Het Servische overzicht uit 2022 rekende haar niet tot de acuut bedreigde vormen, maar noemde haar wel uitdrukkelijk als soort die gevolgd moet worden. De soort leeft in een reeks kleine, van elkaar geïsoleerde bergpopulaties, waarvan er één kan verdwijnen zonder dat dit wordt opgemerkt of vanuit elders wordt aangevuld. De bedreigingen zijn die van de Balkanbergweide: het wegvallen van extensieve schapenhouderij, waardoor weiden dichtgroeien met struweel en bos, en daarnaast het scheuren van grasland, wegaanleg, skigebiedontwikkeling en het afbranden van vegetatie. Zolang deze dieren officieel als chromosoomvorm van een niet-bedreigde soort gelden, staan zij op geen enkele beschermingslijst.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax montanoserbicus | (Savić & Soldatović, 1974)

Savić & Soldatović beschreef de soort in 1974 als Spalax montanoserbicus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. montanoserbicus betekent 'Servisch van het bergland', van het Latijnse montanus 'van de bergen' en serbicus; Savić en Soldatović beschreven het dier van de Zlatibor. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Servië, Zlatibor.