Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Spalax zemni
Spalax zemni | Spalax zemni
Podolian Mole Rat | Spalax zemni
Spalax zemni is de blindmuis van Podolië en de Oekraïense rechteroever van de Dnjepr. Erxleben beschreef de soort in 1777 als Glis zemni, naar dieren uit de streek van Ternopil; in de twintigste eeuw werd zij in de literatuur meestal Spalax polonicus of S. podolicus genoemd, maar zemni is de oudste beschikbare naam en heeft daarom voorrang. De soort is endemisch in Oekraïne en is de zustersoort van de zandblindmuis van de Oleshky-zanden; de Dnjepr scheidt de twee. Sinds het eind van de negentiende eeuw geldt zij als zeldzaam. Er bestaat geen Nederlandse of Spaanse volksnaam; in het Oekraïens heet zij sliepak podilskyj.
Sporen
Van deze soort worden vrijwel alleen de hopen waargenomen. Ze meten dertig tot zevenenzestig centimeter in doorsnede en tien tot drieëntwintig centimeter in hoogte, zijn breed en laag in plaats van kegelvormig, bestaan uit grove kluiten en hebben geen zichtbare gangopening, omdat de gang van binnenuit wordt dichtgestopt. Ze liggen dicht bijeen en volgen samen het verloop van het gangenstelsel. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht. Onder de grond ligt een ondiep net van voedselgangen op dertien tot eenentwintig centimeter diepte, bij een jong dier tien meter lang en bij een volwassen dier tot tweehonderdtien meter. Daaronder liggen, via twee tot zes verticale schachten bereikbaar, de diepe kamers op negentig tot tweehonderdvijfenzeventig centimeter: één of twee nestkamers, drie tot vijf voorraadkamers en latrines, met verbindingsgangen die de kamers soms in een ring verbinden. Verdere sporen zijn afgeknaagde wortels van luzerne, cichorei en akkerwinde in de gang, afgevreten zaailingen van eik, moerbei en acacia, en plekjes aan de oppervlakte waar een plant van onderaf is weggetrokken.



Herkenning
Een grote blindmuis van 20 tot 31 centimeter en 370 tot 570 gram, halsloos en cilindrisch, met een brede, platte, wigvormige kop en een zware voorhand. De vacht is leigrijs met een roodachtige waas, donkerder dan bij de meeste verwante soorten, met een lichter grijze kop waarop een witte streep of witte vlekjes kunnen staan, en een grijze buik. Oorschelpen ontbreken, de ogen zijn gereduceerd tot kleine lenzen onder een gesloten huidplooi, en een uitwendige staart ontbreekt; geen van de geraadpleegde bronnen geeft een staartmaat. Van de kale neusspiegel loopt een rand van lichte, stugge haren naar achteren in de richting van de oorstreek. De snijtanden steken vóór de lippen uit, zodat het dier met gesloten mond in de grond kan bijten. Het chromosoomgetal is 2n = 62.
Gelijkende soorten
Binnen het geslacht zijn de soorten niet op uiterlijke kenmerken te onderscheiden, en ook het chromosoomgetal is niet doorslaggevend: alle Spalax-soorten hebben 2n = 60 of 62. De scheiding berust op schedelkenmerken en mitochondriaal DNA. De zustersoort S. arenarius is bleker en leeft op zand; het praktische onderscheid is geografisch: S. zemni bewoont de rechteroever van de Dnjepr, de zandblindmuis de linkeroever. In het noordoosten en oosten grenst het areaal aan dat van S. microphthalmus, in het uiterste zuidwesten, voorbij de Dnjestr, aan dat van het veel kleinere geslacht Nannospalax. Alleen dat laatste onderscheid is in het veld te maken. Een Spalax meet twintig tot ruim dertig centimeter en weegt vier- tot zevenhonderd gram; een Nannospalax haalt zelden een halve kilo. Het grootteverschil ligt aan de basis van de namen van de twee geslachten (grote en kleine blindmuizen) en is in 2013 door Németh en collega's met DNA bevestigd. Ook de hopen verschillen: een Spalax legt ze dicht bijeen, een Nannospalax in een dunne lijn met twintig tot dertig meter tussenruimte. De mol is kleiner en heeft schepvormige voorpoten en een kort staartje; de woelrat heeft uitwendige oren, zichtbare ogen en een lange staart.
Leefgebied
Onbewerkte steppe, maar in de praktijk vooral de restanten daarvan: wegbermen, spoortaluds, houtsingels en windsingels tussen akkers, ongeploegde perceelsranden en oude militaire schietterreinen, dus plekken die niet zijn omgeploegd. De soort komt ook in akkerland voor en verdraagt, anders dan de meeste verwante soorten, ook zandige grond. Zij is gebonden aan diepe, losse, goed doorlatende grond met een ondergronds aanbod van wortels, knollen en bollen. Waar diep geploegd wordt, verdwijnt zij.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
West- en Centraal-Oekraïne, van de Poolse grens in het noordwesten zuidwaarts tot bij de grens met Moldavië en oostwaarts tot in het midden van het land; de soort bewoont de rechteroever van de Dnjepr. De typelocatie ligt in de provincie Ternopil, in Podolië. De huidige kerngebieden liggen in de provincies Mykolajiv en Chmelnytskyj en langs de Zuidelijke Boeh; waarnemingen reiken oostwaarts tot in Dnipropetrovsk en Zaporizja. De populatie is sterk versnipperd, zodat het areaal op een kaart aanzienlijk groter is dan het bezette oppervlak, dat op ongeveer tweeduizend vierkante kilometer wordt geschat.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
De soort is het hele jaar actief; anders dan bij de meeste ondergrondse zoogdieren gaat het graven ook in de wintermaanden door. Over het dagritme is verder niets gepubliceerd; zij wordt als schemeractief aangemerkt, omdat het uitwerpen van aarde vooral aan het begin en het eind van de dag plaatsvindt. Er is geen winterslaap of winterrust. Het voedsel bestaat uit luzerne, cichorei, akkerwinde, kaasjeskruid en zaailingen van eik, moerbei en acacia. De dieren leven solitair. De dichtheden liggen op één tot acht dieren per hectare, de hoogste waarden in onbewerkte steppe. Over de voortplanting van deze soort zijn geen gegevens gepubliceerd. Als predatoren zijn de steppebunzing, de bunzing en de arendbuizerd vastgesteld.
Waar en wanneer kijken
Zoek in maart of april in de steppe-restanten van de Oekraïense rechteroever, zoals ongeploegde balka's, oude boomgaarden en windsingels tussen akkers. Het gras is dan nog laag en verse aarde steekt donker af; kijk over het terrein in plaats van alleen vlak voor de voeten. Een bewoond stelsel bestaat uit een groep brede, lage, grofkluitige hopen die dicht bijeen liggen en het verloop van de gang volgen; loop de reeks af. Verse, vochtige, donkere aarde wijst op een bewoond stelsel, verbleekte en begroeide hopen op een verlaten stelsel. Het dier zelf is alleen te zien na lang wachten op enkele meters van de nieuwste hoop, tot er van binnenuit aarde wordt uitgeduwd. Graaf niet: dat beschadigt het gangenstelsel, en de soort staat in het Rode Boek van Oekraïne. Meld vondsten; de kennis van de verspreiding berust grotendeels op losse meldingen van hopen.
Staat van instandhouding
Bedreigd (EN, 2024). De soort geldt sinds het eind van de negentiende eeuw als zeldzaam, en de achteruitgang loopt sindsdien gelijk op met het verdwijnen van de steppe. De populatie is sterk versnipperd; het bezette oppervlak bedraagt ongeveer tweeduizend vierkante kilometer. De belangrijkste bedreigingen zijn het in cultuur brengen van de steppe en de bebouwing van de resterende delen. Diep ploegen vernietigt het gangenstelsel en doodt de dieren die erin zitten. Omdat blindmuizen één worp per jaar hebben en zich pas in hun tweede jaar voortplanten, wordt een verdwenen kolonie niet vanzelf opnieuw bezet. De soort staat in het Rode Boek van Oekraïne. De gevolgen van de oorlog sinds 2022 voor de oostelijke deelpopulaties zijn in de beoordeling van 2024 nog niet volledig meegewogen.
Wetenschappelijke naam
Spalax zemni | (Erxleben, 1777)
Erxleben beschreef de soort in 1777 als Glis Zemni; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. zemni is de plaatselijke Slavische naam van het dier, bij Pools en Oekraïens ziemia 'aarde' — het aardbeest; Erxleben nam de naam uit de oudere Poolse literatuur over. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Oekraïne, Ternopolsk.





