Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Oostelijke blinde muis

Oostelijke blinde muis | Spalax microphthalmus

Greater Blind Mole Rat | Spalax microphthalmus

De oostelijke blinde muis is een van de grootste blindmuizen van Europa en de typesoort van het geslacht Spalax; alleen de reuzenblindmuis (S. giganteus) van de Noordelijke Kaukasus en Kalmukkië wordt groter, tot vijfendertig centimeter en een kilo. Hij wordt ruim dertig centimeter lang en kan achthonderd gram wegen, en leeft zijn hele leven onder de grond in de zwarte lössbodems van de Pontische steppe tussen de Dnjepr en de Wolga. Güldenstädt beschreef de soort in 1770 naar dieren uit de steppe bij Novochopjorsk in het Russische gouvernement Voronezj; alle andere soorten van het geslacht zijn ooit als ondersoort of synoniem ervan behandeld. Het is een algemene soort, die in zijn areaal plaatselijk als landbouwplaag wordt bestreden.

Oostelijke blinde muis (Spalax microphthalmus)
Foto: Kudinov — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De gangenstelsels van deze soort zijn de omvangrijkste van de Europese blindmuizen. Een stelsel meet honderd tot vierhonderdvijftig meter of meer in doorsnede en is bijna lineair, heeft één of twee knooppunten met straalsgewijs uitlopende voedselgangen, of is onregelmatig. De voedselgangen liggen op 10 tot 25 cm diepte, de diepe kamers op 120 tot 320 cm, en de twee niveaus zijn verbonden door twee tot vier verticale schachten. Er zijn één of twee nestkamers, met gras en bladeren bekleed, gewoonlijk vier tot negen voorraadkamers en meerdere latrines, die na vulling worden dichtgemaakt. De hopen verschillen in vorm en grootte: 20 tot 240 cm in doorsnee, gemiddeld een halve meter, op één tot twee meter van elkaar; dat dichte patroon is kenmerkend voor het geslacht. Een open gangopening is niet te zien: de gang wordt van binnenuit dichtgestopt. Eén dier verzet per etmaal 200 tot 300 liter aarde. In voorraadkamers is 10 tot 14 kilo verzameld wortelmateriaal aangetroffen. Verder zijn er afgeknaagde wortels van paardenbloem, berenklauw en cichorei, afgevreten boomzaailingen, en aan de oppervlakte plekken waar een plant van onderaf is weggetrokken. Het graven is hoorbaar: bij een verse hoop is te horen hoe de aarde van binnenuit omhoog wordt geschoven.

Oostelijke blinde muis, het ontstaan van een hoop, provincie saratov, juni 2023: een dier dat zich bovengronds betrapt weet, graaft zich onmiddellijk weer in en duwt daarbij met kop en voorhand de losse, grofkluitige aarde naar achteren — de donkere, brokkelige massa rond het dier is precies wat u later als aardhoop in het gras terugvindt. de toeschrijving rust op de plek: in de wolgasteppe van saratov is dit de blindmuis
Het ontstaan van een hoop, provincie Saratov, juni 2023: een dier dat zich bovengronds betrapt weet, graaft zich onmiddellijk weer in en duwt daarbij met kop en voorhand de losse, grofkluitige aarde naar achteren — de donkere, brokkelige massa rond het dier is precies wat u later als aardhoop in het gras terugvindt. De toeschrijving rust op de plek: in de Wolgasteppe van Saratov is dit de blindmuis · Foto: ИринаЯ — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Oostelijke blinde muis, kop van opzij in het steppereservaat strilcivskyj step, loehansk, mei 2009: de brede platte wig, de kale neusspiegel met aarde erop, de lange witte snorharen en borstelrand, de gele snijtanden die vóór de gesloten lippen uitsteken, en de vlakke huid waar het oog hoort te zitten
Kop van opzij in het steppereservaat Strilcivskyj Step, Loehansk, mei 2009: de brede platte wig, de kale neusspiegel met aarde erop, de lange witte snorharen en borstelrand, de gele snijtanden die vóór de gesloten lippen uitsteken, en de vlakke huid waar het oog hoort te zitten · Foto: GalinaGouz — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote, halsloze, cilindrische graver van 19 tot 31,5 cm en 120 tot 818 gram; mannetjes zijn groter dan vrouwtjes. De vacht is strogeel grijsbruin met een lichtere, grijzere kop en een strokleurige buik; de haarbasis is muisgrijs, zodat een dier met versleten haarpunten geheel grijs lijkt. Op het voorhoofd staat vaak een klein geelwit vlekje, en sommige dieren hebben een witte lengtestreep over de kop. Vanaf de neusspiegel loopt een rand van gelige haren naar buiten en naar achteren in de richting van de oren. De kop is breed, plat en wigvormig, de voorhand zwaar, en verder is de bouw als bij alle blindmuizen: geen oorschelpen, geen zichtbare ogen, geen uitwendige staart. Geen van de geraadpleegde bronnen geeft een staartmaat. De gele tot oranje snijtanden steken vóór de lippen uit. Jonge dieren zijn veel grijzer dan volwassen dieren; de dichte wintervacht wordt van september tot mei of juni gedragen. Vrouwtjes hebben drie paar tepels. Het chromosoomgetal is 2n = 60 of 62.

Gelijkende soorten

Binnen het geslacht zijn de soorten op uiterlijke kenmerken niet te scheiden. Alle Spalax-soorten hebben 2n = 60 of 62, zodat een chromosoompreparaat, dat bij de kleine blindmuizen doorgaans uitsluitsel geeft, hier niet helpt; de soorten worden gescheiden op schedelkenmerken en mitochondriaal DNA. In het veld is de vindplaats bepalend. In de steppe tussen de Dnjepr en de Wolga is dit de gewone soort; op de rechteroever van de Dnjepr begint het areaal van S. zemni, op de linkeroever bij de monding dat van S. arenarius, en ten oosten en zuidoosten dat van S. uralensis en S. giganteus. Het geslacht is in het veld wel vast te stellen: een Spalax is een fors dier van twintig tot ruim dertig centimeter dat vier- tot achthonderd gram weegt, terwijl een Nannospalax zo zwaar is als een grote rat en zelden een halve kilo haalt. Dat verschil komt tot uitdrukking in de namen van de twee geslachten — de grote en de kleine blindmuizen — en werd in 2013 door Németh en collega's met DNA bevestigd. De hopen tonen het verschil ook: deze soort legt zijn hopen op één tot twee meter van elkaar, zodat een bewoond stelsel een dicht omgewoeld veld vormt, terwijl een Nannospalax zijn hopen met twintig tot dertig meter tussenruimte in een dunne, slingerende lijn legt. Dat patroon is van een afstand over een weide te zien. Verder zijn er de mol, half zo groot, met schepvormige voorpoten en een kort staartje, en de woelrat, met oren, ogen en een lange staart.

Leefgebied

Vlakke steppe en bossteppe, bij voorkeur op zwarte aarde: de soort mijdt leem en zand en zoekt diepe, voedselrijke, goed doorlatende grond. Hij komt ook veel voor in het cultuurlandschap: in akkers, meloenvelden, moestuinen, boomgaarden, houtaanplant en zelfs in bos. Die brede habitatkeuze wordt als belangrijkste reden voor zijn gunstige staat gezien. Hoog grondwater en zware, natte klei mijdt hij. In het noorden van het areaal, waar de bossteppe in bos overgaat, zijn de populaties versnipperd.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De steppe en bossteppe tussen de Dnjepr en de Wolga, van ruwweg Mordovië in het noorden zuidwaarts tot in de Ciskaukasus. Binnen het gidsgebied gaat het om Oost-Oekraïne — Charkiv, Loehansk, Poltava, Soemy — en Zuidwest-Rusland, met de kerngebieden in de oblasten Koersk, Belgorod, Voronezj en Rostov. De typelocatie is de steppe bij Novochopjorsk in de oblast Voronezj. Naar het oosten loopt het areaal over de Wolga, buiten het gidsgebied. Er worden twee ondersoorten onderscheiden: de nominaatvorm in Oost-Oekraïne en Zuidwest-Rusland, en typhlus in de Ciskaukasus direct ten oosten van de Zee van Azov; die laatste wordt door sommige auteurs eerder tot S. giganteus gerekend.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Het hele jaar actief, in de winter minder en dan vooral in de diepere lagen; de graafactiviteit is het grootst in het voorjaar, wanneer de voorraadkamers leeg zijn. Hij houdt geen winterslaap of winterrust. Hij eet paardenbloem, berenklauw en cichorei en zaailingen van eik, moerbei en acacia, in het voorjaar meer blad en scheuten en later in het jaar vooral wortels en bollen; de wintervoorraad weegt 10 tot 14 kilo. Hij leeft solitair, en gevechten tussen soortgenoten zijn ernstig: de dieren bijten elkaar in het gezicht en vechten tot één van beide wijkt of sterft. Jonge dieren verlaten het stelsel van de moeder en graven er een eigen naast, of verplaatsen zich bovengronds tot enkele honderden meters; ook volwassen dieren, in de paartijd vooral mannetjes, verplaatsen zich soms over de grond. Een dier dat bovengronds wordt aangetroffen, begint direct te graven. De dichtheid is drie tot tien dieren per hectare, onder gunstige omstandigheden twintig; grote schommelingen komen niet voor. Er is één worp per jaar van twee tot vijf jongen, geboren van eind februari tot begin mei; vrouwtjes planten zich pas in hun tweede jaar voort. Predatoren zijn oehoe, keizerarend, arendbuizerd, buizerd, pontische meeuw en marterachtigen.

Waar en wanneer kijken

Ga in april of mei, wanneer het gras nog laag staat, naar een steppereservaat in Oost-Oekraïne of Zuidwest-Rusland, zoals Strilcivskyj Step, de Chomoetovska-steppe of de Streletskaja-steppe bij Koersk, en kijk over het terrein: een bewoond stelsel is te herkennen aan de hopen op één tot twee meter van elkaar. Zoek de buitenste hoop van de groep, meestal de nieuwste, ga op enkele meters afstand zitten en wacht: het omhoogschuiven van aarde is hoorbaar, en soms komt de kop even boven. Deze soort wordt ook geregeld bovengronds gezien: jonge dieren die zich verspreiden steken open terrein en wegen over, en de meeste foto's van de soort zijn zo gemaakt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016). De soort heeft een groot areaal, is er algemeen, komt in een reeks beschermde steppegebieden voor en handhaaft zich in het cultuurlandschap. In het noorden van het areaal, waar de populaties versnipperd zijn, staat hij onder druk van de landbouw. Omdat hij in akkers en boomgaarden schade kan veroorzaken, wordt hij plaatselijk vergiftigd. Blindmuizen gelden als ecosysteemingenieurs: ze keren de bodem om, veranderen de samenstelling ervan en daarmee de plantengemeenschap, en hun verlaten gangen worden door andere kleine zoogdieren en ongewervelden gebruikt. De beoordeling dateert uit 2016; de gevolgen van de oorlog in Oost-Oekraïne sinds 2022 voor de westelijke populaties zijn nog niet onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Spalax microphthalmus | von Güldenstädt, 1770

Von Güldenstädt beschreef de soort in 1770 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Spalax is het Griekse spalax, ook aspalax, 'mol'. microphthalmus is Grieks voor 'kleinogig', van mikros 'klein' en ophthalmos 'oog'; de ogen zijn bij deze blindmuizen tot onder de huid verzonken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Voronezhskaya.