Alle soorten › Knaagdieren › Blindmuizen › Nannospalax montanosyrmiensis

Nannospalax montanosyrmiensis | Nannospalax montanosyrmiensis

North Serbian Blind Mole-rat | Nannospalax montanosyrmiensis

Nannospalax montanosyrmiensis is waarschijnlijk de meest bedreigde blindmuis van Europa en een van de meest bedreigde zoogdieren van de Balkan. De soort leeft op de Fruška gora in de Servische Vojvodina en op enkele plaatsen aan weerszijden van de Hongaars-Servische grens. Savić en Soldatović beschreven het taxon in 1974, genoemd naar de berg waar de dieren het eerst werden gekaryotypeerd; de Mammal Diversity Database behandelt het sinds 2024 als soort. Een Nederlandse naam heeft de soort niet; in het Servisch heet zij vojvođanski slepo kuče, in het Hongaars délvidéki földikutya. Uitwendig is zij niet van de verwante soorten te onderscheiden, en het aantal resterende dieren wordt op hooguit enkele honderden geschat.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

Aardhopen zijn voor de meeste waarnemers het enige wat van deze soort te zien is, en in Servië en Hongarije vormen ze de basis van de inventarisatie. Het gaat om brede, lage hopen van grove kluiten zonder zichtbare gangopening (de gang wordt van binnenuit afgesloten), die met twintig tot dertig meter tussenruimte in een slingerende rij door het gras lopen en de hoofdgang volgen. De gangen zijn vijf tot zeven centimeter breed; bij het bevestigen van een kolonie letten onderzoekers op de gladde, van binnenuit aangedrukte gangwand, op afgeknaagde wortels en op de voorraadkamers. Een molshoop is kleiner, hoger, fijner van korrel en komt uit een verticale schacht; bij Hongaars veldwerk telt een hoop pas als blindmuishoop bij een basisdiameter van meer dan zestig centimeter. Een hoop determineert het geslacht, niet de soort: een blindmuishoop op de Fruška gora is vrijwel zeker van deze soort, maar dat volgt uit de vindplaats en niet uit de hoop.

Herkenning

Zoals alle blindmuizen: een halsloze, walsvormige graver met een brede, platte, wigvormige kop, een kale driehoekige neusspiegel en een borstelige lichte rand die daarvandaan naar achteren loopt. De vacht is fluweelzacht en in alle richtingen strijkbaar, bruingrijs met een gele of rossige zweem en een grijzere buik; de gele tot oranje snijtanden steken voor de lippen uit. Er zijn geen oorschelpen, geen zichtbare ogen en geen uitwendige staart. Voor deze soort zijn geen eigen lichaamsmaten gepubliceerd; de maten van de westelijke blindmuis worden niet overgenomen. Het soortkenmerk is karyologisch: 2n = 54 chromosomen met armgetal NF = 86, waarmee de soort verschilt van N. monticola (54/84) en van de vorm syrmiensis van de Sremvlakte (54/90), die haar in het laagland vervangt.

Gelijkende soorten

Er is geen uitwendig kenmerk dat deze soort van de verwante soorten scheidt. De vormen van het leucodon-complex verschillen in chromosoomgetal, armgetal en DNA; kruisingsproeven tussen de vormen leverden geen embryo's op, en daarop berust hun soortstatus. Hier volstaat ook het chromosoomgetal niet, omdat N. monticola en N. serbicus eveneens 54 chromosomen hebben; alleen het armgetal scheidt ze. In het veld is de vindplaats dus het enige gegeven, en het areaal is klein: de Fruška gora en de aangrenzende Vojvodina, plus de grensstreek bij Kelebia en Ásotthalom. Verder naar het noorden en oosten begint het areaal van N. hungaricus; in de Sremvlakte leefde syrmiensis; in de bergen ten zuiden leeft N. montanoserbicus. Ter plaatse zijn alleen de mol (kleiner, schopvormige voorpoten, korte staart) en de woelrat (oren, ogen en een lange staart) uit te sluiten. Een waarneming wordt genoteerd als 'blindmuis', met coördinaten; de soort vereist een karyotype.

Leefgebied

Steppeachtig grasland, bergsteppe en zandsteppe op diepe, losse, goed doorlatende grond; natte en moerassige terreinen worden gemeden. In de praktijk gaat het om de zuidelijke en oostelijke hellingen van de Fruška gora, lösskoppen, wegbermen, boomgaardranden, braakliggende hoeken en oude weiden, en om de zandsteppe van de Hongaars-Servische grensstreek. Ondanks het voorvoegsel montano- in de naam is het geen bergdier: de Fruška gora is een laag heuvelland dat nergens hoger reikt dan ongeveer 540 meter, en de vindplaatsen bij Kelebia en Ásotthalom liggen in de zandsteppe van het laagland.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Een van de kleinste arealen van alle Europese zoogdieren: de Fruška gora en directe omgeving in de Servische Vojvodina, daarnaast enkele plaatsen in Zuid-Hongarije bij Kelebia en Ásotthalom, en mogelijk in Bosnië en Herzegovina en Kroatië. De typelocatie is de Fruška gora. De grenzen zijn slecht bekend: bij elke nieuwe vindplaats moeten dieren worden gevangen en gekaryotypeerd om de soort vast te stellen, wat bij een dier dat vrijwel nooit bovengronds komt en streng beschermd is, veel inspanning vergt. Blindmuizen ontbreken in West- en Noord-Europa en op het Iberisch Schiereiland.

Levenswijze

Voor zover bekend gelijk aan die van de verwante soorten: solitair, het hele etmaal actief met de meeste graafactiviteit aan het begin en eind van de dag, zonder winterslaap of winterrust; de winter wordt overbrugd met voorraadkamers met bollen, knollen en wortels. Eén dier bezet en verdedigt één gangenstelsel; soortgenoten worden alleen in de paartijd, aan het eind van de winter, toegelaten. Na een draagtijd van ongeveer dertig dagen worden in maart of april twee tot vier jongen geboren; vrouwtjes planten zich pas in hun tweede levensjaar voort. Dat lage voortplantingstempo is bij deze soort bepalend voor de kwetsbaarheid: bij een populatie van hooguit enkele honderden dieren op enkele vierkante kilometers is een verloren kolonie vrijwel niet te herstellen. Predatoren zijn vos, bunzing, hermelijn, verwilderde honden en katten, en uilen.

Waar en wanneer kijken

Het dier zelf wordt vrijwel nooit gezien. Sporen zijn te zoeken in maart of april aan de zuidelijke voet van de Fruška gora, langs graslandranden en oude boomgaarden, waar een rij lage aardhopen op een kolonie wijst; verse, donkere, grofkluitige aarde betekent dat het stelsel bewoond is. Houd afstand, betreed beschermd terrein niet zonder toestemming, graaf niets op en laat de hopen intact; bij een soort met zo weinig dieren heeft verstoring van een kolonie gevolgen. Meld vondsten bij Servische of Hongaarse natuurbeschermingsorganisaties: bij deze soort worden nog steeds nieuwe vindplaatsen door waarnemers ontdekt.

Staat van instandhouding

Niet beoordeeld door de IUCN. De Rode Lijst kent alleen de verzamelsoort Nannospalax leucodon, die als niet bedreigd is beoordeeld; die beoordeling geldt niet voor deze soort. De enige afzonderlijke beoordeling is die van Csorba en collega's uit 2015, die montanosyrmiensis als ernstig bedreigd aanmerkten: een verspreidingsgebied van hooguit honderd vierkante kilometer, een bezet oppervlak van minder dan tien, drie bekende vindplaatsen en een aantoonbare achteruitgang van zowel de dieren als hun leefgebied. Een Servisch overzicht uit 2022 kwam tot bedreigd tot ernstig bedreigd. De oorzaken zijn verstedelijking, grootschalige landbouw, wegaanleg, het afbranden van vegetatie en bestrijding als landbouwplaag. Daarnaast werkt de taxonomie door in de bescherming: zolang deze dieren officieel als chromosoomvorm van een niet-bedreigde soort gelden, vallen zij buiten de reikwijdte van beschermingsinstrumenten.

Wetenschappelijke naam

Nannospalax montanosyrmiensis | (Savić & Soldatović, 1974)

Savić & Soldatović beschreef de soort in 1974 als Spalax montanosyrmiensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Nannospalax verbindt het Griekse nannos 'dwerg' met Spalax: de kleine blindmuis. montanosyrmiensis betekent 'van het bergland van Syrmië', het Servische Srem tussen Donau en Sava, genoemd naar de Romeinse stad Sirmium; de berg is de Fruška gora. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Servië, Fruška gora.