Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Steppekiekendief

Steppekiekendief | Circus macrourus

Pallid Harrier | Aguilucho papialbo

De steppekiekendief is de slankste en bleekste van de grijze kiekendieven, een broedvogel van de steppen van Rusland en Centraal-Azië. Hij trekt met een breed front over het hele gebied, het talrijkst in het oosten, en wordt de laatste twintig jaar ook steeds vaker op de westelijke route door Marokko gezien.

Steppekiekendief (Circus macrourus)
Foto: Mprasannak — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op trek en in de winter stil. Op de broedplaats roept het mannetje een hoog, snel kie-kie-kie-kie, en het vrouwtje bedelt met een schril pieh-pieh.

Luister: VluchtroepXC549572

Opname: Jan Studecky — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

40–48 cm, spanwijdte 97–118 cm. Slank, met smalle, spitse vleugels, een klein kopje en een lange staart; zweeft met de vleugels in een ondiepe V. Het mannetje is zeer bleek zilvergrijs boven en bijna wit onder, met alleen een smalle zwarte wig op de buitenste handpennen, zonder zwarte banden over de armpennen. Het vrouwtje is bruin en gestreept, met een witte stuit en een scherp getekende kop: een donker masker over de oorstreek, een bleke halskraag die de hals helemaal omsluit en lichte strepen boven en onder het oog. De jonge vogel heeft een egaal oranjebruine onderzijde zonder strepen, hetzelfde donkere masker met gesloten halskraag en een opvallend bleke, ongebandeerde basis van de handpennen op de ondervleugel.

Verwarrings­soorten

De grauwe kiekendief (Circus pygargus) lijkt het meest. Het mannetje is donkerder grijs, met een zwarte band over de armpennen van de bovenvleugel, twee zwarte banden op de ondervleugel, roestbruine strepen op de flanken en meer zwart aan de vleugelpunt. Vrouwtjes en jonge vogels hebben een onvolledige halskraag en een donkere, dubbel gebandeerde ondervleugel. De blauwe kiekendief (Circus cyaneus) is forser en breder gevleugeld, met vijf vingers aan de vleugelpunt; het mannetje heeft een brede zwarte vleugelpunt, het vrouwtje een groter wit stuitvlak en een zwaar gestreepte onderzijde.

Leefgebied

Op trek en in de winter in open droog landschap: alfa-steppe, halfwoestijn met struiken, kruidensteppe, graanvelden, braakland en irrigatielandbouw, ook langs de randen van moerassen en zoutvlakten. Jaagt laag op kleine vogels zoals leeuweriken en piepers, knaagdieren, hagedissen en grote insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

In het oosten van het gebied een vrij algemene doortrekker in het voorjaar (vooral maart en april) en het najaar (vooral september en oktober): in Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Syrië, Irak en heel Arabië, met grote aantallen boven de Arava- en Jordaanvallei. Schaarse wintergast in Arabië, vooral in het zuidwesten van Saoedi-Arabië en in Jemen, Oman en de Emiraten, en in Egypte. In de Maghreb een schaarse doortrekker, vooral in het voorjaar; in Marokko waren tot 2018 64 waarnemingen bekend, en in de winter van 2018–2019 overwinterde een gezenderde Finse vogel bij Guelmim, het eerste bewezen overwinteringsgeval. Ook doortrek over Tunesië, Algerije en Libië. Daarbuiten broedvogel van de steppen van Oekraïne en Zuid-Rusland tot West-China, met een kleine en groeiende stand in Finland en Wit-Rusland; overwintert in de Sahel, Oost- en zuidelijk Afrika en India.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Israël en Jordanië in maart en april een goede kans bij de telposten in de Arava- en Jordaanvallei. Let bij jonge vogels in het najaar op de egale oranje onderzijde en de gesloten bleke halskraag; bij volwassen mannetjes op de bijna witte vogel met een smalle zwarte wig in de vleugelpunt.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De soort ging in de twintigste eeuw sterk achteruit door het omploegen van de steppen voor landbouw. Daarna lijkt de stand te stabiliseren en breidt hij zich naar het westen uit. In de overwinteringsgebieden is hij kwetsbaar voor landbouwgif, en op trek voor afschot en elektrocutie.

Wetenschappelijke naam

Circus macrourus | (Gmelin, 1770)

Gmelin beschreef de soort in 1770 als Accipiter macrourus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Circus werd in 1799 ingevoerd door De Lacépède. Circus komt van het Griekse kirkos, een roofvogel die naar zijn cirkelende vlucht werd genoemd. macrourus is Grieks voor 'langstaartig', van makros 'lang' en -ouros '-staartig'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Voronezj in zuidelijk Rusland.