Alle soorten › Trapachtigen › Trappen › Kleine trap

Kleine trap | Tetrax tetrax

Little Bustard | Sisón común

Een trap ter grootte van een fazant, die vroeger op de graanvlakten van de Maghreb broedde en daar nu vrijwel verdwenen is. Tegenwoordig is hij in het gidsgebied vooral een schaarse wintergast, in het westen uit Iberië en in het oosten uit de steppen van Rusland en Kazachstan.

Kleine trap (Tetrax tetrax)
Foto: TRinaud — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de winter vrijwel stil, op een laag tsjuk bij opvliegen na. Het meest kenmerkende geluid is het snorrende, fluitende sisisisi dat de versmalde handpennen van de man in vlucht maken en dat het hele jaar te horen is. In het voorjaar baltst de man met een droog, snuivend prrt, om de tien tot twintig seconden.

Luister: ZangXC1149318

Opname: Esperanza Poveda — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Gedrongen, met een korte hals en een kleine kop. De man in broedkleed heeft een leigrijze kop en een zwarte hals met twee witte banden, een smalle V onder de keel en een brede kraag lager op de hals. Rug en vleugeldekveren okerbruin met fijne zwarte vermiculatie, onderdelen wit. Vrouwen, jonge vogels en mannen in winterkleed missen het halspatroon en zijn geheel okerbruin gestreept en gevlekt. In vlucht zijn de vleugels opvallend wit met alleen zwarte handpentoppen; de vogel vliegt snel en laag met stijve, ondiepe slagen, in de winter vaak in hechte groepen.

Verwarrings­soorten

De grote trap (Otis tarda) is vele malen groter en zwaarder en vliegt met trage, ganzenachtige slagen. De westelijke kraagtrap (Chlamydotis undulata) is groter en langhalziger, met een zwarte halsband en alleen een wit vlak aan de basis van de handpennen, en leeft in de woestijn. Een opvliegende groep in winterkleed kan op afstand aan eenden of duiven doen denken, maar het vele wit in de vleugel en het snorrende vleugelgeluid zijn kenmerkend.

Leefgebied

Open akkerland met wintergraan, klaver, luzerne en braak, en extensief begraasde graslanden en kruidensteppen; in de winter vooral groene gewassen waar de vogels in groepen grazen. Mijdt bomen en dichte bebouwing.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko: vroeger broedvogel van de vlakten van het noordwesten, zoals de Gharb; broeden is tegenwoordig onzeker en hooguit sporadisch. In de winter in kleine aantallen in Noord-Marokko. Algerije en Tunesië: vroeger broedvogel van de Tell en de Hoge Plateaus, nu een zeldzame wintergast. Libië en Egypte: dwaalgast. In het oosten een schaarse wintergast in Noord-Syrië en Noord-Irak, zeldzaam in Libanon, Israël, Jordanië en Koeweit, en een dwaalgast verder zuidelijk op het Arabisch Schiereiland. Buiten het gebied broedt hij in Iberië, Frankrijk en Sardinië en in de steppen van Zuid-Rusland en Kazachstan; de oostelijke vogels overwinteren vooral in Azerbeidzjan en Iran.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Er is geen vaste plek in het gidsgebied. Let in de winter op akkers met klaver, luzerne en jonge granen in Noord-Marokko en in de Jazira van Noord-Syrië en Noord-Irak. Een opvliegende groep verraadt zich door de witte vleugels en het snorrende geluid van de mannen; zittend zijn de bruine vogels tussen het gewas nauwelijks te zien.

Staat van instandhouding

Gevoelig. De Europese populatie is sinds de jaren negentig sterk afgenomen door intensivering van de landbouw, het verdwijnen van braak en aanvaringen met hoogspanningsleidingen. In Noord-Afrika is de broedpopulatie vrijwel verloren gegaan, en als wintergast in het Midden-Oosten wordt hij bejaagd.

Wetenschappelijke naam

Tetrax tetrax | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Otis Tetrax; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tetrax werd in 1817 ingevoerd door Forster. Tetrax is het Latijnse tetrax, de naam van een niet nader te bepalen hoendervogel. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.