Alle soorten › Uilen › Kerkuilen › Kerkuil

Kerkuil | Tyto alba

Western Barn Owl | Lechuza común

De bleke spookuil van boerenland, oases en ruïnes, die in vrijwel het hele gidsgebied voorkomt waar knaagdieren te vangen zijn. In de Nijlvallei, de Jordaanvallei en de oases is hij algemeen, en in Israël en Jordanië wordt hij met duizenden nestkasten ingezet als natuurlijke muizenbestrijder.

Kerkuil (Tyto alba)
Foto: Steven Ward — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Geen 'oehoe' maar een lange, schorre, sissende schreeuw, chrrrieeesj, vaak in de vlucht en van ver hoorbaar. Jongen en volwassenen snurken en sissen bij het nest. Na donker, het meest in de winter en het voorjaar.

Luister: Nachtelijke vluchtroepXC1185983

Opname: Philippe Grange — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Slank en langbenig, met een groot, wit, hartvormig gezicht en kleine zwarte ogen. Bovendelen goudbruin tot oranjebruin met fijne grijze marmering en witte spikkeltjes; onderdelen wit tot roomkleurig met hooguit enkele fijne stipjes. De vogels in Egypte, de Levant, Irak en Arabië (erlangeri) zijn bleker en grijzer van boven dan de Noordwest-Afrikaanse alba. In de vlucht lijkt de kop klein en zijn de vleugels lang en rond, van onderen bijna wit; de vlucht is licht en wiegend, laag over de grond.

Verwarrings­soorten

In een koplamp lijkt hij een grote witte vlinder; geen andere uil in het gebied is zo bleek. De velduil (Asio flammeus) en de Afrikaanse velduil (Asio capensis) zijn bruiner, met gele of donkere ogen in een ronder gezicht en donkere polsvlekken. De ransuil (Asio otus) is gestreept met oranje ogen en oorpluimen. De steenuil (Athene noctua) is veel kleiner en gedrongen.

Leefgebied

Open cultuurland, irrigatieakkers, dadelpalmtuinen en olijfgaarden, oases, rivierdalen en de randen van moerassen; ook steden, dorpen, oude forten, ruïnes en waterputten. Nestelt in gebouwen, minaretten, rotsspleten, putten, holle palmen en nestkasten. Ontbreekt in de kale zandwoestijn en het hooggebergte.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Marokko, Algerije en Tunesië: wijdverbreide standvogel van de kustvlakten, de hoogvlakten en de oases van de noordelijke Sahara. Libië: langs de kust en in de oases van de Fezzan. Egypte: algemeen in de Nijlvallei en -delta en in de oases van de Westelijke Woestijn. In de Levant algemeen in Israël, Samaria en Judea, Jordanië, Libanon en Syrië, vooral in de Jordaanvallei en de Hulavallei. Irak: algemeen in Mesopotamië. Saoedi-Arabië: verspreid in de oases, irrigatielandbouw en steden van het binnenland en de Hejaz; Jemen: in het hoogland en de Tihama. Oman, de Verenigde Arabische Emiraten, Qatar, Bahrein en Koeweit: schaarse tot plaatselijk vrij algemene standvogel in steden, landbouwgebieden en parken, die met de uitbreiding van irrigatie en bebouwing is toegenomen. Daarbuiten in Europa en vrijwel heel Afrika; verwante kerkuilen bewonen Amerika en Zuid-Azië tot Australië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. apr–sep)
  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Rijd na donker langzaam over een landweg in de Nijldelta, de Jordaanvallei of een oase en kijk naar paaltjes en de wegberm. In de Hulavallei in Israël zijn de nestkasten in het boerenland een goed vertrekpunt; daar jagen ze soms al in de schemering.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In het gidsgebied lijdt hij onder verkeer en vergiftiging door rattengif, maar profiteert hij van irrigatie en nestkasten; het grensoverschrijdende nestkastenproject van Israël en Jordanië geldt als voorbeeld van natuurlijke plaagbestrijding.

Wetenschappelijke naam

Tyto alba | (Scopoli, 1769)

Scopoli beschreef de soort in 1769 als Strix alba; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Tyto werd in 1828 ingevoerd door Billberg. Tyto komt van het Oudgriekse tutō 'uil'. alba is Latijn voor 'wit', naar de witte onderdelen en het bleke gezicht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Friuli in Italië.