Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Iberische tjiftjaf
Iberische tjiftjaf | Phylloscopus ibericus
Iberian Chiffchaff | Mosquitero ibérico
De Iberische tjiftjaf is de tjiftjaf van het Iberisch Schiereiland en het noorden van de Maghreb, pas in de jaren negentig als eigen soort erkend op grond van zijn zang en DNA. In het gidsgebied broedt hij in vochtige bossen in het noorden van Marokko, Algerije en Tunesië en trekt hij door Marokko naar West-Afrika.
Geluid
De zang bestaat uit drie delen: een reeks tsjip-tsjip-tsjip-tonen als bij de tjiftjaf, gevolgd door een sneller, hoger deel en een korte, droge triller, ongeveer tsjip-tsjip-tsjip tsjwi-tsjwi-tsjwi swi-swi-swi-sirrr. De roep is een dalend sju of pjieuw, anders dan het oplopende hu-iet van de tjiftjaf.
Opname: Mika Hecker — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
10,5–12 cm. Lijkt sterk op een tjiftjaf, maar oogt schoner en contrastrijker: bovendelen helderder groen, onderdelen wit met een frisse gele keel, borst en onderstaartdekveren en vaak een gele wenkbrauwstreep die tot voor het oog duidelijk is. De poten zijn vaak iets lichter, bruinig, en de handpenprojectie iets langer dan bij de tjiftjaf. Wipt minder met de staart. In het veld alleen met zekerheid op de zang te herkennen.
Verwarringssoorten
De tjiftjaf (Phylloscopus collybita), in de winter talrijk in de Maghreb, is gemiddeld valer en bruiniger, met donkerder poten en een kortere vleugel; zang en roep verschillen. De fitis (Phylloscopus trochilus) heeft een nog langere vleugel, lichte poten en een vloeiende, dalende zang. De bergfluiter (Phylloscopus bonelli) heeft een gele stuit, groene vleugelranden en een bleek, ongetekend gezicht.
Leefgebied
Broedt in loofbos en gemengd bos met een rijke ondergroei, vooral in vochtige dalen: kurkeiken- en eikenbos, ooibos langs beken, populieren en essen, ook in bergen tot ongeveer 1500 m. Op de trek in tuinen, oases en struweel.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
Broedt in het noorden van Marokko (Tangerschiereiland, Rif, de Atlantische laagvlakte en de noordelijke Middel-Atlas), in het noorden van Algerije (de kustbergen van de Tell, oostwaarts tot de Kabylië en het El Kala-gebied) en in Noordwest-Tunesië (Kroumirie en Mogod). Op de trek in maart en april en van augustus tot oktober door heel Marokko, inclusief de oases van de woestijnrand en West-Sahara; elders in Algerije en Tunesië schaars. Overwintert in West-Afrika, van Senegal en Gambia tot Guinee en Mali. Daarbuiten broedt hij op het Iberisch Schiereiland en in het zuidwesten van Frankrijk.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. apr–sep)
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in april of mei naar een vochtig eikenbos of beekdal in de Rif of de Kroumirie en luister naar een tjiftjafzang die halverwege versnelt en in een droog trillertje eindigt. Een onbekende ‘tjiftjaf’ op de voorjaarstrek in Zuid-Marokko kan deze soort zijn: let op de dalende roep.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd. In Noord-Afrika gevoelig voor het verdwijnen van vochtig bos en oeverbos door kap, beweiding en verdroging.
Wetenschappelijke naam
Phylloscopus ibericus | Ticehurst, 1937
Ticehurst beschreef de soort in 1937 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. ibericus is Latijn voor 'Iberisch', naar het schiereiland waar de soort broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Coimbra in Portugal.


