Alle soorten › Zangvogels › Boszangers › Humes bladkoning

Humes bladkoning | Phylloscopus humei

Hume's Warbler | Mosquitero de Hume

Humes bladkoning is de grijzere, doffere tegenhanger van de bladkoning uit de bergen van Centraal-Azië. Anders dan de bladkoning is hij in het oosten van het gidsgebied een vaste wintergast: in de parken, tuinen en acaciastruwelen van de Golfstaten en Oman is hij in de winter een van de gewoonste kleine zangers.

Humes bladkoning (Phylloscopus humei)
Foto: Imran Shah from Islamabad, Pakistan — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een vlak of licht dalend, tweelettergrepig tsju-wiet, of een droog, mezenachtig wesoe, minder scherp en zonder de opzwiepende uithaal van de bladkoning; in de winter vaak te horen. De zang, al in het late voorjaar te horen, is een dalend, zoemend dzzzzuu afgewisseld met roepjes.

Luister: RoepXC1085995

Opname: Peter Ericsson — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9,5–10,5 cm. Grijsgroen tot grijsbruin boven en vuilwit tot grauwbeige onder, zonder frisse olijftint. Lange, vuilwitte tot lichtbeige wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. Op de vleugel één duidelijke lichte streep over de grote dekveren; de tweede, over de middelste dekveren, is vaag of ontbreekt. Tertials met lichte randen. Snavel vrijwel geheel donker en poten donkerbruin tot zwartachtig. Een lichte kruinstreep ontbreekt of is nauwelijks zichtbaar.

Verwarrings­soorten

De bladkoning (Phylloscopus inornatus) is frisser groen, met een geelwitte wenkbrauwstreep, twee duidelijke vleugelstrepen, een oranjeroze snavelbasis en lichte poten, en een luid opgaand tsuu-iest. De dwergtjiftjaf (Phylloscopus neglectus) mist de vleugelstreep. De groene fitis (Phylloscopus nitidus) is groter en geler. Pallas' boszanger (Phylloscopus proregulus) heeft een gele kruinstreep en een gele stuit.

Leefgebied

In de winter in tuinen, parken en stadsgroen met bloeiende bomen, golfbanen, dadelpalm- en andere boomgaarden en in acacia- en prosopisstruweel van de vlakten en wadi's; vaak hoog in een boom tussen het blad.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.

Verspreiding en trek

Vrij algemene wintergast in de Emiraten, Noord-Oman, Bahrein, Qatar, Koeweit en Oost-Saoedi-Arabië, en in Irak; schaarser in Midden- en West-Saoedi-Arabië en Jemen. In Israël en Jordanië een schaarse wintergast, vooral in Eilat en de Arava; in Egypte zeldzaam en in de Maghreb een dwaalgast met een handvol waarnemingen. Broedt in de bergen van Centraal-Azië, van de Tiensjan en de Altaj tot de westelijke Himalaya, en overwintert vooral van Noord-India en Pakistan tot Zuidoost-Azië.

  • Wintergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-10-01 – 2026-09-30), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van november tot maart in de parken van Dubai, Abu Dhabi of Muscat, of in de tuinen van Al Ain: volg de vlakke tsju-wiet-roepjes in een bloeiende boom. Vergelijk bij elke bladkoning-achtige vogel snavel, poten en het aantal vleugelstrepen.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, met een groot areaal en een stabiele populatie. Profiteert in de Golfstaten van de aanplant van parken en stadsgroen.

Wetenschappelijke naam

Phylloscopus humei | (Brooks, 1878)

Brooks beschreef de soort in 1878 als Reguloides humei; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phylloscopus werd in 1826 ingevoerd door Boie. Phylloscopus is Grieks, van phullon 'blad' en skopos 'speurder', van skopeō 'kijken': de vogel die de bladeren afzoekt. humei eert Allan Octavian Hume (1829–1912), Brits bestuursambtenaar in India en ornitholoog. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordwestelijk Pakistan.