Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Grijze frankolijn
Grijze frankolijn | Ortygornis pondicerianus
Gray Francolin | Francolín gris
Een grijsbruin, fijn gebandeerd hoen van de droge vlakten rond de Perzische Golf, dat zich vooral laat horen: het luide, schelle refrein van de haan klinkt bij zonsopgang over golfbanen, dadeltuinen en doornvlakten van Bahrein tot Oman. Met zijn gemak in door mensen gemaakt landschap is hij in de Golfstaten een van de best bekende hoenders.
Geluid
Zeer luid en kenmerkend: een reeks die begint met enkele schrapende noten en overgaat in een herhaald, schel ka-tiet-ter, ka-tiet-ter, ka-tiet-ter, vaak in duet beantwoord door een andere haan. Klinkt vooral vlak na zonsopgang en tegen de avond, vanaf een dijkje, een muur of een lage struik. Bij onraad een scherp kirr-kirr.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 32 cm, compact en kortstaartig. Het hele lichaam is grijsbruin met een dichte, fijne dwarsbandering in zwart en room, op de bovendelen met kastanjebruine en roomkleurige vlekken. De keel is effen geelbruin tot roomoranje en wordt omlijnd door een smalle, onderbroken donkere rand; het gezicht is warm roestbruin met een lichte wenkbrauwstreep. De staart toont in vlucht roestbruine buitenpennen. Snavel donker, poten roodachtig. De haan heeft een of twee sporen aan de loop; de hen is iets kleiner, doffer en heeft meestal geen sporen. Jonge vogels zijn vaag gevlekt in plaats van gebandeerd.
Verwarringssoorten
De zwarte frankolijn (Francolinus francolinus) is in het gidsgebied vooral een vogel van Irak en de Levant en raakt de grijze frankolijn alleen in het zuiden van Irak en Koeweit. De haan daarvan is zwart met een witte wangvlek en een kastanjebruine halsband; de hen is warmer bruin, zwaarder gevlekt en heeft een roestbruine nekvlek die de grijze frankolijn mist. De Arabische woestijnpatrijs (Ammoperdix heyi) en de Perzische woestijnpatrijs (Ammoperdix griseogularis) zijn kleiner, zandkleurig en zonder fijne bandering over het hele lichaam, en leven op rotshellingen in plaats van in vlak land. De kwartel (Coturnix coturnix) is veel kleiner en gestreept.
Leefgebied
Open, droog land met verspreide struiken en wat dekking: doornvlakten met Prosopis en acacia, kustvlakten, randen van akkers en irrigatielandbouw, dadeltuinen en boomgaarden, en in de Golfstaten ook parken, villatuinen en golfbanen. Leeft in paren of kleine families op de grond, rent liever dan dat hij vliegt en slaapt in een struik of lage boom. Eet zaden, scheuten en insecten, vooral termieten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de leefgebieden van Noord-Afrika en het Midden-Oosten.
Verspreiding en trek
In het gebied in Oost-Arabië: Bahrein, Qatar, de Verenigde Arabische Emiraten en het noorden van Oman, met uitlopers langs de kust van Oost-Saoedi-Arabië (onder meer rond Salwa) en een voorkomen in het zuiden van Irak. De Arabische vogels worden tot de ondersoort O. p. mecranensis van de Makrankust gerekend. Of de soort in Arabië van nature voorkomt of door de mens is ingevoerd, is niet goed vastgesteld; in de Golfstaten zijn in elk geval vogels losgelaten en de stand is met de groei van tuinen en irrigatie sterk toegenomen. Buiten het gebied van Zuidoost-Iran via Pakistan en India tot Sri Lanka; elders uitgezet, onder meer op Hawaï.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Dubai, Abu Dhabi of op Bahrein in een groot park, een golfbaan of langs de randen van landbouwgebied, kort na zonsopgang: luister naar de roep en zoek dan de dijkjes en grasranden af. De vogels zijn in de stad vaak verrassend tam en lopen dan rustig over gazons; in het open land rennen ze bij nadering de struiken in.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over een groot areaal algemeen. In de Golfstaten neemt de soort toe dankzij aanplant en irrigatie. Jacht en vangst voor de kooivogelhandel en voor gevechten tussen hanen spelen plaatselijk een rol, maar bedreigen de soort niet.
Wetenschappelijke naam
Ortygornis pondicerianus | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Tetrao pondicerianus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ortygornis werd in 1853 ingevoerd door Reichenbach. Ortygornis komt van het Griekse ortux, 'kwartel', en ornis, 'vogel' — 'kwartelvogel'. pondicerianus betekent 'uit Pondicherry' (Puducherry) in India. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Puducherry in India.


