Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Lepelaar

Lepelaar | Platalea leucorodia

Eurasian Spoonbill | Espátula común

De lepelaar is een witte lepelaar van Europa, Azië en Afrika. Vogels uit West-Europa trekken in de herfst naar West-Afrika, en van daaruit heeft een enkele vogel over de Atlantische Oceaan het Caribisch gebied bereikt. Zulke gevallen zijn bekend van Trinidad en Tobago en van een aantal eilanden van de Kleine Antillen, maar blijven zeldzaam.

Lepelaar (Platalea leucorodia)
Foto: Andreas Trepte — CC BY-SA 2.5 · Wikimedia Commons

Geluid

Vrijwel stil, zeker buiten het broedgebied. In de kolonie lage gromgeluiden en snavelgeklepper.

Luister: BedelroepXC1042791

Opname: Sonothèque ADVL — CC0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

70–95 cm, een grote, geheel witte vogel met een lange, platte snavel die aan het eind verbreed is tot een lepel. Volwassen vogels hebben een zwarte snavel met een gele punt, een kale, gele keelvlek en zwarte poten. In de broedtijd dragen ze een lange, hangende kuif op het achterhoofd en een okergele band aan de halsbasis. Onvolwassen vogels hebben een vleeskleurige tot lichte snavel die geleidelijk donkerder wordt, geen kuif, en zwarte punten aan de handpennen, die in de vlucht opvallen. Vliegt met gestrekte hals en snelle slagen, afgewisseld met korte glijvluchten.

Verwarrings­soorten

Jonge rode lepelaars Platalea ajaja kunnen bijna wit zijn, maar hebben altijd een roze waas, een kalere kop en roze tot rode poten. Witte reigers, zoals de grote zilverreiger Ardea alba, hebben een spitse, rechte snavel en vliegen met ingetrokken hals. De witte ibis Eudocimus albus is kleiner, met een rode, gebogen snavel en rode poten. De kaalkopooievaar Mycteria americana is groter, met een donkere kale kop, een zware, gebogen snavel en veel zwart in de vleugel.

Leefgebied

In het gebied vooral op getijdenslik, in ondiepe lagunes en zoutpannen, bij mangrove en in zoetwatermoerassen, vaak in gezelschap van reigers. Foerageert lopend in ondiep water, met zwaaiende bewegingen van de snavel, op kleine vis, garnalen en waterinsecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.

Verspreiding en trek

Gevallen zijn bekend van Trinidad en Tobago, Barbados, Saint Lucia, Martinique en Guadeloupe; van de Grote Antillen en het noorden van het gebied zijn geen gevallen bekend. Het gaat om enkele vogels, soms gedurende langere tijd ter plaatse. Buiten het gebied broedt de soort verspreid in Europa, Azië en Noord-Afrika, met de grootste West-Europese aantallen in Nederland en Spanje; West-Europese vogels overwinteren vooral langs de kusten van West-Afrika.

Hoe en wanneer kijken

Elke witte lepelaar in de Kleine Antillen of op Trinidad en Tobago verdient een tweede blik: de kleur van snavel en poten en het ontbreken van roze maken het verschil met een jonge rode lepelaar. Een kleurring kan de herkomst verraden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. In West-Europa is de soort dankzij bescherming van broedgebieden in aantal toegenomen. In het Caribisch gebied gaat het om toevallige gasten.

Wetenschappelijke naam

Platalea leucorodia | Linnaeus, 1758

Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Platalea voerde hij in datzelfde werk in. Platalea is het Latijnse woord voor de lepelaar, teruggaand op het Griekse platus 'breed, plat', naar de snavel. leucorodia gaat terug op het Griekse leukerōdios 'lepelaar', gevormd uit leukos 'wit' en erōdios 'reiger'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.