Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Amerikaanse witte pelikaan
Amerikaanse witte pelikaan | Pelecanus erythrorhynchos
American White Pelican | Pelícano blanco americano
De Amerikaanse witte pelikaan is een van de grootste vogels die het Caribisch gebied bereiken. Hij broedt op meren in het binnenland van Noord-Amerika en overwintert aan de Golf van Mexico en in Mexico en Midden-Amerika. Lange tijd gold hij in West-Indië als dwaalgast, maar sinds het begin van deze eeuw overwinteren in het westen van Cuba groepen van honderden, soms ruim duizend vogels. Op de andere eilanden blijft de soort een zeldzaamheid.
Geluid
Buiten de broedkolonies vrijwel stil. In de kolonie laten volwassen vogels een laag gegrom en gekreun horen, ongeveer hroh; jongen bedelen met een hees gekrijs.
Opname: Bruce Lagerquist — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
127–165 cm, met een spanwijdte van ruim tweeënhalve meter. Zwaar gebouwd, met een lange hals en een korte, rechte staart. Het verenkleed is wit; in vlucht vallen de zwarte handpennen en buitenste armpennen op, in zit zijn die grotendeels verborgen. Snavel, keelzak en poten zijn geeloranje, in de broedtijd feller oranje. Volwassen vogels krijgen in het voorjaar een platte, rechtopstaande hoornplaat op de bovensnavel en een korte, geelachtige kuif; de plaat wordt na de eileg afgeworpen. Jonge vogels zijn wit met een grijsbruin waas over kop, hals en vleugeldekveren en hebben een grauwere snavel. Vliegt met ingetrokken kop, vaak in V-formatie of in lange rijen, en zweeft hoog op thermiek.
Verwarringssoorten
De bruine pelikaan Pelecanus occidentalis is kleiner en grijsbruin, ook als jonge vogel, en vist duikend vanuit de lucht, nooit zwemmend in groepen. Van verre en in vlucht deelt de witte pelikaan het patroon van wit met zwarte vleugelpennen met de kaalkopooievaar Mycteria americana, die met uitgestoken hals en lange, uitstekende poten vliegt, en met de maskergent Sula dactylatra, die veel kleiner en slanker is, met een spitse snavel en een zwarte staart. De grote zilverreiger Ardea alba is geheel wit en vliegt met ingetrokken hals maar heeft geen zwart in de vleugel.
Leefgebied
Ondiepe meren, lagunes, binnendijkse zoute en brakke plassen, moerassen met open water en vooral viskwekerijen en rijstvelden met stilstaand water. Vist zwemmend: groepen drijven in een halve cirkel scholen vis naar ondiep water en scheppen ze gelijktijdig met de snavel op. Rust in groepen op dijkjes, zandbanken en modderbanken. Duikt niet vanuit de lucht. Broedt niet in het gebied.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatietypen van het Caribisch gebied.
Verspreiding en trek
Het meest in het westen van Cuba, in de provincie Pinar del Río (onder meer de lagune van Maspotón en de wetlands bij Los Palacios, waar ongeveer driehonderd vogels het hele jaar verblijven) en in de Zapatamoerassen; verder oostelijk op Cuba schaarser. Op de Bahama's, de Kaaimaneilanden en Puerto Rico zeldzaam, met vogels die soms lang blijven. Losse gevallen zijn bekend van de Dominicaanse Republiek, de Turks- en Caicoseilanden, Anguilla, Sint-Maarten, Antigua, Dominica, Trinidad en San Andrés. Buiten het gebied broedt de soort in het binnenland van Canada en het westen van de Verenigde Staten en overwintert ze van Californië en de Golfkust tot in Midden-Amerika.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De grootste kans is in de winter op de viskwekerijen en lagunes van Pinar del Río en in de Ciénaga de Zapata, waar groepen op open water foerageren of op de dijken rusten. Het gezamenlijke vissen, waarbij een hele groep tegelijk de snavels onderdompelt, is het best te zien in de vroege ochtend. Op andere eilanden betreft het vrijwel altijd losse vogels, vaak na een storm of een koudegolf in Noord-Amerika.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is sinds de jaren zestig sterk gegroeid, en de toename in Cuba past daarbij. Het overwinteren op viskwekerijen kan tot conflicten met kwekers leiden. In de broedgebieden zijn droogte, verstoring van kolonies en vergiftiging door pesticiden bedreigingen.
Wetenschappelijke naam
Pelecanus erythrorhynchos | Gmelin, 1789
Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. erythrorhynchos is Grieks voor 'roodsnavelig', van eruthros 'rood' en rhunkhos 'snavel', naar de oranjerode snavel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Hudsonbaai en New York.





