Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Witmaskeribis

Witmaskeribis | Plegadis chihi

White-faced Ibis | Morito cariblanco

De witmaskeribis is de westelijke tegenhanger van de zwarte ibis: hij broedt in het westen van Noord-Amerika en Mexico en in het zuiden van Zuid-Amerika. De soort breidt zich al decennia naar het oosten uit en wordt steeds vaker oostelijk van de Mississippi gezien. In het Caribisch gebied is hij een zeer zeldzame dwaalgast, die tussen zwarte ibissen vaak over het hoofd wordt gezien.

Witmaskeribis (Plegadis chihi)
Foto: Becky Matsubara from El Sobrante, California — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Meestal stil. In de vlucht en in groepen een laag, hees graa of knorrend ka-onk, vergelijkbaar met de geluiden van de zwarte ibis.

Luister: VluchtroepXC1184608

Opname: Manuel Grosselet — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

46–56 cm, iets kleiner dan de zwarte ibis en in bouw vrijwel gelijk, met een lange, gebogen snavel. In broedkleed zijn kop, hals en onderdelen kastanjebruin, de vleugels metaalglanzend groen en paars. De kale huid tussen oog en snavel is roze tot roodachtig en wordt rondom omzoomd door een smalle rand van witte veren, die ook achter het oog en onder de kin doorloopt. Het oog is het hele jaar rood, de poten zijn in de broedtijd rood. Buiten de broedtijd zijn kop en hals dofbruin met fijne witte streepjes, verdwijnt de witte rand en is de gezichtshuid doffer roze; het rode oog blijft het beste kenmerk. Jonge vogels hebben een donker oog en zijn nauwelijks van jonge zwarte ibissen te onderscheiden.

Verwarrings­soorten

De zwarte ibis Plegadis falcinellus heeft een donker oog, donkere, blauwgrijze gezichtshuid met een lichtblauwe zoom die niet achter het oog doorloopt en donkere poten. In de Verenigde Staten komen bastaarden tussen beide soorten voor, met tussenliggende kenmerken. Jonge witte ibissen Eudocimus albus en rode ibissen Eudocimus ruber zijn bruin, maar hebben een witte buik en stuit en een roze tot roodachtige snavel. Een witmaskeribis tussen zwarte ibissen is vaak alleen aan het oog en de gezichtshuid te herkennen.

Leefgebied

Ondiepe zoetwatermoerassen, ondergelopen weiland, rijstvelden, de oevers van meren en vijvers en brakke lagunes. Foerageert in groepen door met de snavel in modder en ondiep water te tasten naar insecten, larven, regenwormen, slakken en rivierkreeften. In het gebied ook op beregende grasvelden, zoals golfbanen, vaak tussen zwarte ibissen.

Verspreiding en trek

Dwaalgast. Op de Bahama's verbleef in 2023 en 2024 een vogel maandenlang op een golfbaan bij Lyford Cay op New Providence. Een eerste geval voor West-Indië is in 2018 door Cubaanse ornithologen beschreven. Van Aruba zijn twee meldingen bekend (1978 en 2009). Van de overige eilanden zijn geen gevallen bekend, maar door de gelijkenis met de zwarte ibis kan de soort gemist worden. Buiten het gebied broedt de witmaskeribis van het zuidwesten van Canada en het westen van de Verenigde Staten tot in Mexico, en in Zuid-Amerika van Bolivia en het zuiden van Brazilië tot Midden-Argentinië en Midden-Chili; Noord-Amerikaanse vogels overwinteren van Californië en Louisiana tot in Mexico.

Hoe en wanneer kijken

Groepen zwarte ibissen op natte weilanden, rijstvelden en golfbanen kunnen een witmaskeribis bevatten. Bij goed licht het oog en de rand rond de gezichtshuid controleren; een rood oog wijst ook buiten de broedtijd op deze soort. Foto's van dichtbij helpen bij de beoordeling.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Noord-Amerikaanse populatie is sinds het verbod op DDT sterk hersteld en groeit nog, met uitbreiding naar het oosten. Plaatselijk verdwijnt leefgebied door het droogleggen van moerassen.

Wetenschappelijke naam

Plegadis chihi | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Numenius chihi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Plegadis werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Plegadis is Grieks, van plēgas, plēgados 'sikkel', naar de kromme snavel. chihi is een klanknabootsende naam die Vieillot in 1817 aan de vogel gaf, naar de beschrijving van Félix de Azara uit Paraguay. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Paraguay en de pampa van Buenos Aires, Argentinië.