Alle soorten › Zangvogels › Honingeters › Zwartoorhoningeter

Zwartoorhoningeter | Manorina melanotis

Black-eared Miner | Mielero orejinegro

De zwartoorhoningeter is de zeldzaamste Manorina-honingeter van Australië (daar miners genoemd) en leeft alleen nog in oude, tientallen jaren onverbrande mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) langs de Murray. Hij is in 2016 aangemerkt als vermoedelijk de zeldzaamste en meest bedreigde vogel van Australië. Zijn grootste bedreiging is niet een roofdier of een kap maar een verwant: de witstuithoningeter, die met de ontginning de mallee binnendringt en met hem hybridiseert. Daarmee is deze vogel een schoolvoorbeeld geworden van een soort die niet door verdwijnen maar door vermenging kan ophouden te bestaan.

Zwartoorhoningeter (Manorina melanotis)
Foto: delanyd — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Dezelfde harde, fluitende en schrapende kreten als de andere Manorina-honingeters, in koor uitgestoten door de hele kolonie; het repertoire is met dat van de witstuithoningeter zo goed als gelijk en biedt in het veld geen houvast om de twee te scheiden. Ook het alarmkoor waarmee een kolonie een roofvogel of een slang omringt, is niet van dat van de buursoort te onderscheiden. Wie deze soort zoekt, moet het van het oog hebben en niet van het oor.

Luister: AlarmroepXC372256

Opname: Martin Cake — CC BY-NC-SA 4.0 · Gluepot, South Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer vijfentwintig centimeter: een donkere, langstaartige Manorina-honingeter met een oranjegele snavel en oranjegele poten, een zwart masker, kale gele huid achter het oog en een witte buik. De vleugels en de staart hebben een olijfgele gloed. Doorslaggevend zijn de donkere delen: de stuit is bruin en wijkt niet af van de rug, de keel is grijs in plaats van helder wit, en het zwarte masker is nauwelijks zilvergrijs bespikkeld, met een wenkbrauwstreepje van hooguit een of twee millimeter. Het voorhoofd is donkerder en meer olijf dan geel. De borst is fijn geschubd met bruine banden en smalle witte veerranden.

Verwarrings­soorten

De witstuithoningeter (Manorina flavigula) is de enige soort waarmee verwarring werkelijk speelt, en die verwarring is hier geen kwestie van onoplettendheid maar van biologie: waar beide voorkomen lopen hybriden rond die op elk kenmerk tussenin zitten. De zuivere witstuithoningeter heeft een witte tot vuilwitte stuit die scherp tegen de rug afsteekt, een helder witte keel, een breed zilvergrijs bespikkeld masker en een uitgebreider geel voorhoofd; de zuivere zwartoorhoningeter heeft op al die punten de donkere variant. Geen enkel kenmerk staat op zichzelf: pas als stuit, keel, masker en voorhoofd alle vier de donkere vorm tonen, gaat het om een zuivere vogel. De tuinhoningeter (Manorina melanocephala) komt niet in de mallee voor en heeft een zwarte kruin.

Leefgebied

Uitsluitend volgroeide mallee die meer dan vijftig jaar niet heeft gebrand, met een dichte, gesloten struiklaag en holle, oude stammen. Jonge opslag na brand is ongeschikt: pas na tientallen jaren groeit er weer een kolonie in. Randen, wegbermen en opengekapte plekken zijn juist het leefgebied van de witstuithoningeter, en elke zodanige ingreep in het malleegebied brengt die soort dichterbij.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Alleen in het malleeblok langs de Murray op de grens van Victoria en Zuid-Australië: het Riverland Biosphere Reserve in oostelijk Zuid-Australië, Murray-Sunset National Park en het Annuello-reservaat in noordwestelijk Victoria. In Nieuw-Zuid-Wales resteert een uiterst kleine populatie op Scotia Station en het aangrenzende Tarawi Nature Reserve, in 2007 geschat op een handvol vogels. Standvogel; de kolonies blijven in het broedseizoen bijeen en verspreiden zich daarbuiten over de omliggende mallee. Rond 2022 werd het totaal geschat op ongeveer tweehonderd kolonies van hooguit twintig vogels elk.

  • Jaarrond
  • Doortrek
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Zoek in oude, onverbrande mallee en werk elke groep Manorina-honingeters systematisch af: bekijk stuit, keel, masker en voorhoofd apart en noteer ze apart. Een vogel met een donkere stuit maar een witte keel is een hybride en geen zwartoorhoningeter, en dat onderscheid is voor het beheer belangrijker dan de soortnaam op de lijst. Meld waarnemingen met foto's, zodat de kenmerken naderhand te toetsen zijn.

Staat van instandhouding

Bedreigd (EN op de IUCN-lijst, in Nieuw-Zuid-Wales kritiek bedreigd) en in 2016 aangemerkt als vermoedelijk de zeldzaamste en meest bedreigde vogel van Australië; een studie uit 2018 zette hem op de tiende plaats van Australische vogels met het hoogste uitstervingsrisico. De hoofdoorzaak is het verlies van oude mallee door ontginning en door grote branden, die in één seizoen decennia aan geschikt leefgebied kunnen wegvagen. Daar bovenop komt de hybridisatie met de witstuithoningeter (Manorina flavigula), die in 2022 opnieuw werd vastgesteld: doordat die soort via ontginningsranden de mallee binnendringt, wordt de genetische eigenheid van de zwartoorhoningeter aangetast, en dat telt als een zelfstandige bedreiging naast habitatverlies. Verder spelen begrazing door verwilderde geiten, konijnen en kangoeroes bij nieuw aangelegde drinkpunten, en predatie door kat en vos.

Wetenschappelijke naam

Manorina melanotis | (Wilson, 1911)

Francis Erasmus Wilson beschreef de vogel in 1911 in The Emu als Myzantha melanotis, naar materiaal uit de Victoriaanse mallee; omdat de soort later in Manorina is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. melanotis is Grieks voor 'zwartoor', uit melas (zwart) en ous, otos (oor), naar de donkere oorstreek die hem van de witstuithoningeter scheidt; de Nederlandse en Engelse naam volgen dat woord rechtstreeks. Voor het geslacht Manorina, uit Grieks manos (dun) en rhinos (neusgat), zie de witstuithoningeter. Over de rang van deze vogel is lang gestreden: een deel van de onderzoekers heeft hem als ondersoort van Manorina flavigula beschouwd, en die discussie is door de hybridisatie niet eenvoudiger geworden. Deze gids voert hem als zelfstandige soort.