Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Zwartnekstern

Zwartnekstern | Sterna sumatrana

Black-naped Tern | Charrán de Sumatra

De zwartnekstern is de stern van het koraal: een ijsblanke vogel met lange staartlinten die boven turquoise lagunes en rifranden jaagt. Hij is de uitzondering in een familie van vogels met een zwarte pet, want zijn kruin is juist wit; het zwart loopt als een smalle band van de ene oogstreek over het achterhoofd naar de andere. In dit gebied hoort hij bij de zandkaaien van het Groot Barrièrerif en de eilandjes van de Straat Torres.

Zwartnekstern (Sterna sumatrana)
Foto: panjigusti — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een hoog, scherp en kort tsjiet, dat een vogel boven de rifrand telkens herhaalt. Bij onrust in de kolonie gaat dat over in een raspend, snel tsjit-tsjit-tsjiter waarin tientallen vogels door elkaar heen roepen. Op weg naar een visplek klinkt tussen partners een zachter, tweelettergrepig contactgeluidje. Zijn stem is dunner en hoger dan die van de grote kuifsterns waarmee hij de kaai deelt, en verraadt hem vaak al voordat het wit boven het water opvalt.

Luister: RoepXC783442

Opname: Geoff Carey — CC BY-NC-SA 4.0 · Near Crooked Island, northeastern waters, Hong Kong, China · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote stern van dertig tot vijfendertig centimeter, waarvan een flink deel staart. De bovendelen zijn zeer licht parelgrijs, de onderdelen wit met vroeg in het seizoen een zachte roze gloed; de staart is diep gevorkt en wit, met lange slierten. Het gezichtspatroon is beslissend: een zwarte streep loopt van de snavelbasis door het oog en verbreedt zich achter op het hoofd tot een zwarte nekband, terwijl voorhoofd en kruin wit blijven. Snavel en poten zijn zwart. De vleugel is kort (ruim 21 cm) en de slag daardoor snel en wat fladderend; jonge vogels dragen een grauwbruine schubtekening op de mantel en een vagere nekband.

Verwarrings­soorten

Dougalls stern (Sterna dougallii) zit op dezelfde koraalkaaien en is net zo bleek met een zwarte snavel, maar heeft een volledige zwarte pet in plaats van een nekband, in broedkleed een rode snavelbasis, nog langere witte linten en een stijvere, ondiepere vleugelslag. Het visdiefje (S. hirundo) heeft een zwarte kap tot over het oog, grijzere onderdelen en in winterkleed een donkere schouderstreep. De tara-stern (S. striata) is groter, heeft een veel langere zwarte snavel en komt niet in de tropen voor. De grote kuifstern (Thalasseus bergii), de vaste buur op elke kaai, is bijna twee keer zo lang met een zware gele snavel en een ruige kuif. De opaalstern (Gygis candida) is geheel wit, met een zwarte oogring en een blauwe snavelbasis, en mist elk zwart op het achterhoofd.

Leefgebied

Koraalkaaien, zandbanken, rotsige eilandjes en riflagunes; hij broedt in een simpel kuiltje in koraalgruis of op een kale rotsrichel, vaak in kleine, losse groepjes van enkele tientallen paren. Jagen doet hij dippend en met korte, ondiepe duiken boven de rifrand en in de lagune, meestal binnen enkele kilometers van het eiland. Ver op open oceaan komt hij zelden; de riflijn is zijn wereld.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

De tropische kusten en eilanden van noordelijk Australië: de kaaien van het Groot Barrièrerif vanaf de Capricorn- en Bunkergroep noordwaarts, de Koraalzee, de Straat Torres, de Arafurazee en de eilanden voor de kust van het Noordelijk Territorium en de Kimberley. Zuidwaarts reikt hij nauwelijks voorbij de keerkring. In Nieuw-Zeeland ontbreekt hij vrijwel.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Sta op een koraalkaai en kijk naar de kruin van elke stern die langskomt: wit betekent zwartnekstern, zwart betekent alle andere. Het beste moment is het afgaande tij, wanneer de vogels de rifrand aflopen waar het water over de koraalplaat terugtrekt. Op een bootreis tussen de kaaien zie je hem meestal laag boven het water van eiland naar eiland pendelen, nooit ver van land.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC): het areaal loopt van Oost-Afrika tot in de Grote Oceaan en de soort is over dat hele gebied vrij algemeen. De kwetsbaarheid zit in de plek waar hij broedt: lage koraalkaaien zijn gevoelig voor cyclonen en voor hoogwater bij stijgende zeespiegel, en een kolonie kan in één storm verdwijnen. Daarnaast zijn de kaaien precies de eilandjes waar toeristenboten aanleggen, en verstoring in de broedtijd kost meteen een hele jaargang; ingevoerde ratten hebben op enkele eilandjes hetzelfde effect.

Wetenschappelijke naam

Sterna sumatrana | Raffles, 1822

Sir Thomas Stamford Raffles beschreef de soort in 1822 als Sterna sumatrana, en omdat ze nog in dat geslacht staat, gaan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, 'stern'. sumatrana betekent eenvoudig 'van Sumatra': de typelocatie is Sumatra, waar Raffles op dat moment luitenant-gouverneur was. De Spaanse naam houdt die herkomst vast, terwijl de Nederlandse en de Engelse naam naar het zwarte bandje op het achterhoofd wijzen — het kenmerk dat hem in één oogopslag van elke andere stern scheidt.