Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Tara-stern

Tara-stern | Sterna striata

White-fronted Tern | Charrán maorí

De tara-stern is de gewone stern van Nieuw-Zeeland: als je daar een stern boven de branding ziet bidden, is dit hem, tenzij het tegendeel blijkt. Hij is groter en witter dan de meeste sterns waarmee hij verward wordt, met een lange geheel zwarte snavel en zwarte poten, en dankt zijn naam aan de smalle witte band die in broedkleed tussen de zwarte kap en de snavelbasis blijft staan. Tara is het Maori-woord voor stern.

Tara-stern (Sterna striata)
Foto: JJ Harrison — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het gewone geluid is een hoog, scherp en kort tsiet, dat vogels boven zee aan elkaar doorgeven en dat door het geluid van de branding heen snijdt. Bij opwinding — boven een school aas, bij een kelpmeeuw die te dichtbij komt — gaat dat over in een raspend, langgerekt kièh-kièh. Een kolonie op een schelpenbank is een onafgebroken schel koor. Boven een 'work-up', waar tonijn of makreel aas naar de oppervlakte drijft, hoor je honderden vogels tegelijk, en dat geluid wijst vissers de plek aan.

Luister: RoepXC853665

Opname: Ken George — CC BY-NC-SA 4.0 · Kaiaua, Waikato, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een grote, uitgesproken bleke stern van ruim veertig centimeter: de bovendelen zijn zo licht grijs dat de vogel op afstand wit oogt, de onderdelen zijn zuiver wit, en stuit en staart zijn ook wit. De snavel is lang — ruim vijf centimeter, de langste van alle sterns in deze gids na de kuifsterns en de reuzenstern — slank en geheel zwart; de poten zijn zwart en kort. In broedkleed blijft tussen de zwarte kap en de snavel een smalle witte voorhoofdband staan, het kenmerk waar de Engelse naam naar verwijst; buiten de broedtijd wijkt het zwart naar het achterhoofd. De staart is diep gevorkt met lange slierten. Jonge vogels zijn grijsbruin gevlekt en geschubd op mantel en schouders, met een donkere oorvlek.

Verwarrings­soorten

Het visdiefje (Sterna hirundo) is een maat kleiner, grijzer van onderen, heeft een kortere snavel en in winterkleed een donkere schouderstreep die de tara-stern mist. De noordse stern (S. paradisaea) is kleiner en zeer kortpotig, met een doorschijnende hand en een haarscherpe smalle zwarte achterrand. Dougalls stern (S. dougallii) is eveneens ijsbleek met een zwarte snavel, maar veel kleiner, met een rode snavelbasis in broedkleed en een stijvere, ondiepere slag; hij komt alleen in tropisch Australië voor en overlapt dus nauwelijks. De zwartnekstern (S. sumatrana) heeft een witte kruin met zwarte nekband. Op de vlechtende rivieren van Canterbury zit hij naast de Nieuw-Zeelandse stern (Chlidonias albostriatus), en die is kleiner, grijs van onderen en heeft juist een oranje snavel en oranje poten — pootkleur is daar het snelste onderscheid.

Leefgebied

Rotskusten, zandstranden, schelpenbanken, zandspits en estuaria vormen de kern, maar hij broedt ook op de grindbanken van de vlechtende rivieren van Canterbury en Marlborough, soms tientallen kilometers landinwaarts. Hij jaagt in de branding, boven ondiepe baaien en boven scholen aasvis op het continentaal plat, vaak samen met pijlstormvogels en zeehonden. Buiten de broedtijd slaapt hij in grote groepen op zandbanken en havendammen.

Verspreiding en trek

Broedt vrijwel uitsluitend in Nieuw-Zeeland — beide hoofdeilanden, de Chathameilanden en de Aucklandeilanden — met daarbuiten alleen een handvol paren op eilandjes in Straat Bass en langs de Tasmaanse kust. Dat maakt hem in de praktijk een Nieuw-Zeelandse endeem. In het zuidelijke najaar trekken vooral jonge vogels de Tasmanzee over naar Victoria en Nieuw-Zuid-Wales, waar ze de winter langs de kust doorbrengen.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in Nieuw-Zeeland uit van deze soort en laat een andere stern zich bewijzen: begin bij de lengte van de zwarte snavel en bij de witte onderzijde zonder grijs. In Australië werkt het andersom — zoek in de winter tussen de sterns langs de kust van Victoria en Nieuw-Zuid-Wales naar een vogel die groter en witter is dan een visdiefje en een lange zwarte snavel draagt. Volg op zee een groep krijsende sterns: boven een work-up staan ze met honderden bij elkaar.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT), en dat is een recente verslechtering. De kolonies liggen op stranden, schelpenbanken en rivierbeddingen die precies bereikbaar zijn voor de dieren die hier niet horen: hermelijnen, ratten, katten en egels. Daar komt bij dat kelpmeeuwen eieren en kuikens roven, dat voertuigen en honden hele kolonies van het strand jagen, en dat de vlechtende rivieren dichtgroeien met lupine en brem of hun grindbanken verliezen aan waterkrachtwinning. Ook jaren met weinig aasvis slaan direct door in het broedsucces.

Wetenschappelijke naam

Sterna striata | Gmelin, 1789

Johann Friedrich Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna striata, naar Lathams 'Striated Tern'; ze staat nog in hetzelfde geslacht, en daarom gaan auteur en jaartal zonder haakjes. striata betekent 'gestreept' en slaat op de gestreepte, geschubde tekening van het jonge kleed, niet op de volwassen vogel. Het beschreven materiaal kwam uit Queen Charlotte Sound (Totaranui) op het Zuidereiland, verzameld tijdens de reizen van Cook. De Nederlandse naam neemt het Maori-woord tara over, dat 'stern' betekent; de Engelse naam wijst naar de witte voorhoofdband.