Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen, sterns en schaarbekken › Antarctische stern

Antarctische stern | Sterna vittata

Antarctic Tern | Charrán antártico

De Antarctische stern is de stern van de koude zuidelijke zeeën: een stevig gebouwde, grijzige vogel met een bloedrode snavel en bloedrode poten, een zwarte kap en een scherpe witte wangstreep daaronder. Hij broedt op de subantarctische eilanden van Nieuw-Zeeland en op Antarctica zelf, en is daarmee een van de weinige sterns die het hele jaar in het zuiden blijft. Wie hem in de Australische winter op een strand vindt, kijkt naar een stormvluchteling.

Antarctische stern (Sterna vittata)
Foto: michael clarke stuff — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de vlucht en boven de visgronden een hoog, ratelend trr-trr-kriah, scherper en droger dan de roep van het visdiefje. Bij de verdediging van het nest gaat dat over in een aanhoudend, snorrend chrrrr, dat hij vlak boven het hoofd van de indringer laat horen terwijl hij stootduikt. Boven een losse kolonie op een tussockhelling (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) vermengen die twee geluiden zich tot een scherp, onafgebroken gekrijs.

Luister: RoepXC396457

Opname: Sander Lagerveld — CC BY-NC-SA 4.0 · Campbell Island, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een middelgrote maar fors gebouwde stern van vijfendertig tot veertig centimeter, met een spanwijdte van rond de driekwart meter en een gewicht van honderdvijftig tot honderdtachtig gram — merkbaar zwaarder en breder gevleugeld dan de noordse stern. In broedkleed, dat hij midden in de Australische zomer draagt, zijn lijf en bovenvleugels lichtgrijs, de stuit en de diep gevorkte staart wit, en de kap gitzwart tot onder het oog; daartussen loopt een brede, scherp afgetekende witte wangstreep. Snavel en poten zijn helder bloedrood, zonder zwarte punt; de snavel is korter en dikker dan die van de noordse stern en de poten zijn juist langer. In vlucht toont de bovenvleugel een donkere wig in de buitenste handpennen. Buiten het broedseizoen wordt het voorhoofd wit, verbleekt de snavel tot donkerrood en oogt de vogel veel bleker.

Verwarrings­soorten

De noordse stern (Sterna paradisaea) is de soort waar het om draait, en het verschil zit niet alleen in het uiterlijk maar in de kalender: de Antarctische stern draagt zijn volle broedkleed met rode snavel juist in de Australische zomer, terwijl de noordse sterns die dan in deze wateren overwinteren hun winterkleed dragen, met een wit voorhoofd en een donkere snavel. Een stern in vol broedkleed op zuidelijk water in december is dus vrijwel altijd deze soort. Daarbij is de Antarctische stern forser, breder van vleugel, korter en dikker van snavel en langer van poot, met een kortere staart. De tara-stern (Sterna striata), de gewone stern van de Nieuw-Zeelandse kust, heeft een zwarte snavel, een wit voorhoofd en witte in plaats van grijzige onderdelen. Het visdiefje (Sterna hirundo) is in dit gebied zeldzaam en heeft een oranjerode snavel met een zwarte punt. Dougalls stern (Sterna dougallii) is veel bleker, langer van staart en hoort in de tropen thuis, niet in het zuiden.

Leefgebied

De koude subantarctische zee en de kustwateren daaromheen, waar hij vlak boven de kelpvelden en in de branding vist. Hij broedt op rotskusten, kliftreden en tussockhellingen van subantarctische eilanden, in losse kolonies van enkele tot enkele tientallen paren, met het nest als een kuiltje tussen de stenen of het gras. In de Australische winter verschijnt hij aan gewone rotskusten en zandstranden van het vasteland, meestal na aanhoudende zuidenwind.

Verspreiding en trek

In Nieuw-Zeeland broedt de lokale ondersoort op Stewarteiland en de eilandjes daaromheen, op de Snares, de Auckland-, Campbell-, Antipoden- en Bountyeilanden — dus geheel in het zuiden en op de subantarctische eilanden, niet op het vasteland van Noorder- en Zuidereiland. In Australië broedt hij niet: daar is hij een winterbezoeker van de zuidkust, vooral in Tasmanië en langs Victoria en Zuid-Australië, en meestal in kleine aantallen of als aangespoelde vogel na storm. Wereldwijd loopt zijn areaal door over de eilanden van de zuidelijke oceanen tot aan het Antarctisch schiereiland.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Ga in de Australische zomer op een subantarctische boottocht langs de kelprand en kijk naar de sternen die vlak boven het bruinwier jagen: een vogel met een volledig bloedrode snavel en een scherpe witte wangstreep is er in dat seizoen een. Op het vasteland is het omgekeerde de tip: let in de winter op strandkarkassen en rustende sterns na een storm uit het zuiden, want zo worden de meeste Australische gevallen gevonden.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een wereldpopulatie van ongeveer honderddertig- tot honderdvijfenveertigduizend vogels en een stabiele trend. Dat beeld verhult wel hoe klein de afzonderlijke eilandkolonies zijn: op eilanden waar ratten of verwilderde katten zijn beland, mislukt het broeden jarenlang volledig, en één zo'n eiland kan een aanzienlijk deel van een regionale populatie dragen. De opruimacties tegen ratten en katten op de Nieuw-Zeelandse subantarctische eilanden zijn daarom voor deze soort direct van belang. Daarnaast reageert hij gevoelig op verstoring bij het nest, wat bij een soort die vlak langs looppaden broedt snel telt.

Wetenschappelijke naam

Sterna vittata | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Sterna vittata; ze staat nog in hetzelfde geslacht, en daarom staan auteur en jaartal zonder haakjes. Sterna komt van het Oudengelse stearn, een oude naam voor sterns. Het epitheton vittata is Latijn voor 'met een band' of 'met een hoofdband', naar de zwarte kap en de witte streep eronder. De typelocatie is Christmas Harbour op Kerguelen, in het hart van de subantarctische oceaan waar de soort thuishoort; de Nederlandse, Engelse en Spaanse naam wijzen alle drie naar diezelfde koude zuidelijke wateren.