Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Witbrauwtriller
Witbrauwtriller | Lalage leucomela
Varied Triller | Oruguero variable
De witbrauwtriller is de triller van de kustbossen: een gedrongen, donkere vogel met een scherpe witte wenkbrauwstreep, die stil en traag door het kroondak van regenwoud, moessonbos en mangrove beweegt en zich vooral met vruchten voedt. Anders dan zijn opgewekt ratelende neef van het binnenland brengt hij een traag, raspend gegrom voort dat meer aan een kikker dan aan een zangvogel doet denken. Mannetje en vrouwtje verschillen duidelijk, maar minder extreem dan bij de grijsstuittriller: het mannetje is zwart-wit en scherp getekend, het vrouwtje bruiner en zachter.
Geluid
Een traag, raspend, licht zoemend 'krrrr … krrrr', omlaag glijdend en in een rustige reeks herhaald — een opvallend onmuzikaal geluid voor een vogel uit de groep van de trillers, en het beste onderscheid van de grijsstuittriller (Lalage tricolor), wiens zang juist snel, helder en ratelend is. Sommige waarnemers vergelijken het met een kikker of met het langzaam ronddraaien van een houten ratel. Daarnaast is er een kort, hard contactgeluid en een schriller alarm bij de nestboom. De vogel roept vaak vanuit dekking en verraadt zo zijn aanwezigheid in bossen waar hij verder nauwelijks te zien is.
Opname: Andrew Galbraith — CC BY-NC-SA 4.0 · Banks Street Reserve (near Alderley), Brisbane City, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een gedrongen triller van ongeveer achttien tot twintig centimeter met een vrij lange staart en een kort, stevig snaveltje. Het mannetje heeft een zwarte kruin waarover een scherp afgetekende, zuiver witte wenkbrauwstreep loopt van de snavelbasis tot achter het oog — het kenmerk waaraan de Nederlandse naam is ontleend. De bovenzijde is zwartgrijs met lichte zomen en vlekken in de vleugel, de onderzijde is wit met fijne grijze dwarsbandering op borst en flanken, en de onderstaartdekveren zijn warm okerkleurig tot roestbruin. Het vrouwtje is over de hele linie bruiner en zachter getekend: grijsbruin in plaats van zwart op de kruin, een valere en minder scherpe wenkbrauwstreep, en een uitgebreider en grover gebandeerde onderzijde. Ook dit is dus één soort met twee gezichten, geen soortenpaar. Jonge vogels lijken op het vrouwtje. De soort telt over haar hele areaal een groot aantal vormen die in tint en in de omvang van de bandering verschillen; vandaar de Engelse naam Varied Triller.
Verwarringssoorten
Het vrouwtje is de moeilijkste vogel, vooral tegenover het vrouwtje van de grijsstuittriller (Lalage tricolor). Die is kleiner en korter van staart, heeft vage streping op de borst in plaats van duidelijke dwarsbandering op borst en flanken, mist de okerkleurige onderstaart en zit in droog, open binnenland in plaats van in kustbos. Het vrouwtje van de monniksrupsvogel (Edolisoma tenuirostre) heeft eveneens een wenkbrauwstreep en een gebandeerde onderzijde, maar is fors groter, veel langer van staart en heeft egale vleugels zonder lichte vlekken. Het mannetje is moeilijker te verwarren, maar wie alleen op zwart en wit let kan aan de grijsstuittriller denken; die heeft echter een grijze stuit, een brede witte vleugelbaan, geen witte wenkbrauwstreep en geen okerkleurige onderstaart. In het veld werkt één vraag doorgaans afdoende: sta je in gesloten kustbos of mangrove, dan is de witbrauwtriller de waarschijnlijke vogel; sta je in droog open bos of mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), dan de grijsstuittriller.
Leefgebied
Tropisch regenwoud en de randen daarvan, moessonbos en lianenstruweel, mangrove en het bos daarachter, nat eucalyptusbos en galerijbos langs kreken, plus tuinen, parken en plantages waar vruchtdragende bomen staan. De soort is sterker aan gesloten begroeiing gebonden dan de grijsstuittriller en komt zelden in echt open land. Het voedsel bestaat voor een aanzienlijk deel uit zachte vruchten — vijgen, lantana, bosbessen en het fruit van struiken in de ondergroei — aangevuld met insecten en rupsen die van bladeren worden geplukt. Het nest is een klein, ondiep kommetje van twijgjes, ranken en bast, met spinrag in een horizontale vork gebonden, meestal middelhoog in een boom of struik; het legsel is klein en beide ouders verzorgen de jongen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Langs de noordelijke en oostelijke kust van Australië en in het aangrenzende achterland: van de Kimberley door het Top End en het Golfland naar Kaap York, en verder langs de oostkust zuidwaarts tot in het midden en zuiden van Nieuw-Zuid-Wales. De soort ontbreekt in het aride binnenland, in het zuidwesten en op Tasmanië. Buiten Australië komt ze voor op Nieuw-Guinea en de omringende eilanden, waar een reeks verdere vormen wordt onderscheiden. De vogels zijn overwegend standvogel en blijven jaarrond in hun bosgebied, met hooguit lokale verplaatsingen die het vruchtaanbod volgen. In Nieuw-Zeeland komt de soort niet voor.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek langs de rand van kustregenwoud, langs een mangrovepad of in een tuin met vruchtdragende struiken in noordelijk Queensland of het Top End, en luister naar het trage raspende gegrom — dat is bijna altijd de eerste aanwijzing, want de vogel zit stil en hoog en beweegt weinig. Volg je het geluid, controleer dan eerst de wenkbrauwstreep: scherp en zuiver wit betekent mannetje, valer en zachter vrouwtje. Kijk daarna naar de onderstaartdekveren, want de warme okerkleur daar is een betrouwbaar kenmerk dat beide seksen delen en dat de grijsstuittriller mist. En let op het bostype: deze soort is een vogel van dichte, vochtige begroeiing en verlaat die zelden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): het areaal is groot, de soort gebruikt verschillende gesloten bostypen naast elkaar en zij is in het noorden en noordoosten van Australië plaatselijk gewoon. De grootste druk zit aan de zuidrand van het areaal, waar het laaglandregenwoud van zuidelijk Queensland en Nieuw-Zuid-Wales historisch grotendeels is ontgonnen en de soort op de overgebleven bospercelen is aangewezen. Verder is zij, als vruchteneter van gesloten bos, gevoelig voor het verdwijnen van de vruchtdragende ondergroei bij begrazing en brand, en plaatselijk voor de aantasting van mangrove door kustontwikkeling. Behoud van aaneengesloten kustbos, met de struiklaag erbij, is voor deze soort het belangrijkste.
Wetenschappelijke naam
Lalage leucomela | (Vigors & Horsfield, 1827)
Nicholas Aylward Vigors en Thomas Horsfield beschreven de soort in 1827 als Campephaga leucomela, naar een vogel van Broad Sound in midden-Queensland; auteurs en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort nu in Lalage staat. Het epitheton leucomela is gevormd uit het Griekse leukos, 'wit', en melas, 'zwart', en beschrijft dus eenvoudig het zwart-witte mannetje. De geslachtsnaam Lalage beschrijft niets: Friedrich Boie ontleende hem aan een meisjesnaam uit de Oden van Horatius. De moderne namen wijzen elk een andere kant op. Het Nederlandse witbrauwtriller kiest het scherpste veldkenmerk, de witte wenkbrauwstreep. Het Engelse Varied Triller en het Spaanse oruguero variable kiezen juist de variatie: over het hele areaal van noordwestelijk Australië tot Nieuw-Guinea worden veel vormen onderscheiden, die in tint, in de scherpte van de wenkbrauwstreep en in de uitgebreidheid van de bandering verschillen.




