Alle soorten › Zangvogels › Rupsvogels › Grijsstuittriller
Grijsstuittriller | Lalage tricolor
White-winged Triller | Oruguero tricolor
De grijsstuittriller is in het Australische binnenland het geluid van de lente. Zodra de mannetjes in september en oktober arriveren, hangt in open bos, mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië) en acaciastruweel een onophoudelijk, opgewekt ratelend getril dat de hele dag en soms ook 's nachts doorgaat. Het broedende mannetje is dan een opvallend zwart-witte vogel met een grijze stuit; het vrouwtje en het mannetje buiten het broedseizoen zijn juist onopvallend bruingrijs. Dat verschil is zo groot dat het geregeld voor twee soorten wordt aangezien — maar het is één en dezelfde vogel.
Geluid
De naam triller is verdiend. Het mannetje produceert een aanhoudende, snelle, rollende ratel van heldere noten — vaak weergegeven als 'tsjiv-tsjiv-tsjiv-tsjiv' of 'djoe-wie-djoe-wie' — die minutenlang zonder onderbreking doorgaat en wordt herhaald vanaf een kale tak of in een fladderende zangvlucht met trillende vleugels. In het voorjaar is dit in droog Australisch open bos vaak het meest aanwezige geluid van allemaal, en op warme nachten zingen de vogels gewoon door. Buiten het broedseizoen zwijgen ze grotendeels en resteert een kort, hard 'tsjek' als contactgeluid. Het vrouwtje zingt ook, zachter en korter dan het mannetje.
Opname: Greg McLachlan — CC BY-NC-SA 4.0 · Bowra Station, near Cunnamulla, Queensland, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een kleine, slanke triller van ongeveer zestien tot achttien centimeter met lange, spitse vleugels. Het verenkleed verschilt zowel tussen de seksen als per seizoen, en dat is bij deze soort het belangrijkste dat je moet weten. Het mannetje in broedkleed is glanzend zwart op kruin, nek, rug, vleugels en staart, met schoon witte onderdelen en een brede witte baan over de vleugeldekveren; tussen de zwarte rug en de zwarte staart ligt een duidelijk grijze stuit, het kenmerk waaraan de Nederlandse naam is ontleend. Het vrouwtje is geheel anders: grijsbruin op de bovenzijde, vuilwit op de onderzijde met vage streping op de borst, met een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep, en met bruine vleugels waarin het lichte vleugelveld veel flauwer is. Het mannetje buiten het broedseizoen lijkt op het vrouwtje, maar behoudt de zwartachtige vleugels met het scherpe witte veld. Wie dus in mei een 'vrouwtje met zwarte vleugels' ziet, heeft een mannetje in winterkleed voor zich, geen andere soort.
Verwarringssoorten
Het grootste risico is het vrouwtje tegenover het vrouwtje van de witbrauwtriller (Lalage leucomela). Die laatste is groter, langer van staart, heeft een duidelijk gebandeerde of gestreepte flank in plaats van vage borststreping, een warm okerkleurige onderstaart en een scherper afgetekende witte wenkbrauwstreep; bovendien zit zij in regenwoud, moessonbos en mangrove van de noordelijke en oostelijke kust, terwijl de grijsstuittriller een vogel van droog, open binnenland is. Het broedende mannetje kan bij een vluchtige blik aan de zwartkopvliegenvanger (Melanodryas cucullata) doen denken, maar die heeft een zwarte kap die tot op de borst doorloopt, een geheel andere houding en geen grijze stuit. De tuinwaaierstaart (Rhipidura leucophrys) is eveneens zwart-wit, maar heeft een zwarte keel en bovenborst en waaiert voortdurend met de staart. Let bij twijfel op de grijze stuit van het broedende mannetje en op het strak witte vleugelveld dat in de vlucht als een brede band oplicht.
Leefgebied
Open eucalyptusbos en open bos, mallee, mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en ander acaciastruweel, rivierbos langs kreken en de eucalyptussavanne van het noorden, en verder alle half open cultuurland met verspreide bomen: bomenrijen langs wegen, resterende bospercelen in weiland en erfbeplanting. Gesloten regenwoud wordt gemeden. Het voedsel bestaat vrijwel geheel uit insecten, vooral rupsen en kevers, die van bladeren worden geplukt of op de grond worden opgeraapt; de soort foerageert lager dan de grote rupsvogels en komt geregeld op de bodem. Het nest is een opvallend klein en ondiep kommetje van grassprieten en worteltjes, met spinrag in een horizontale vork gebonden, meestal maar enkele meters boven de grond; beide ouders broeden en voeren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over vrijwel heel Australië verspreid, met uitzondering van Tasmanië, en daarnaast in het oosten van Nieuw-Guinea en op de zuidelijke eilanden in de Straat Torres. De soort is uitgesproken mobiel: in de zuidelijke lente en zomer trekken de vogels naar het zuiden en het binnenland om te broeden, in de herfst verplaatsen ze zich naar tropisch noordelijk Australië en verder. De aantallen wisselen bovendien sterk met de regenval — na goede regens kan de soort in het binnenland in enorme aantallen opduiken in gebieden waar ze jaren afwezig was. In Nieuw-Zeeland komt ze niet voor.
- Jaarrond
- Broedvogel (zomer)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Ga in oktober of november naar droog open bos of mallee en laat je leiden door het geluid: het aanhoudende ratelende getril is vrijwel onmiskenbaar en voert je naar een mannetje dat meestal open en hoog zit te zingen. Let daarna op de vlucht, want daarin is de soort op haar mooist: de brede witte vleugelbaan en de grijze stuit springen dan het duidelijkst in het oog. Zie je in dezelfde boom een onopvallende bruinige vogel, ga er dan van uit dat dat het vrouwtje is en neem de tijd om de flank en de wenkbrauwstreep te bekijken, zodat je de vergelijking met de witbrauwtriller zelf kunt maken. Noteer ook het seizoen: een zwart-witte triller in juli in het uiterste noorden is bijna altijd een mannetje dat aan het ruien is.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een enorm areaal en een grote, zij het sterk schommelende populatie. De soort profiteert van open, half beboste landschappen en is daarmee in veel agrarisch gebied blijven zitten waar andere bosvogels verdwenen. Toch is ze niet immuun: waar de verspreide oude bomen en het struikgewas in het weiland helemaal verdwijnen, verdwijnt ook de foerageer- en nestgelegenheid, en de soort is als bodemfoerageerder gevoelig voor predatie door verwilderde katten en vossen. De grootste onzekerheid is het klimaat: omdat de broedaantallen in het binnenland direct met de regenval meebewegen, betekent een langere reeks droge jaren automatisch een reeks slechte broedseizoenen over een groot deel van het areaal.
Wetenschappelijke naam
Lalage tricolor | (Swainson, 1825)
William John Swainson beschreef de soort in 1825 als Ceblepyris tricolor, naar een vogel uit Australië waarvan de typelocatie later tot Sydney werd beperkt; auteur en jaartal staan tussen haakjes omdat de soort nu in Lalage staat. Het epitheton tricolor is Latijn voor 'driekleurig' en doelt op het broedende mannetje: zwart, wit en het grijs van de stuit. De geslachtsnaam Lalage is van een heel andere orde en beschrijft niets: Friedrich Boie ontleende hem in 1826 aan een meisjesnaam uit de Oden van Horatius, en het is dus zuiver literaire naamgeving. De drie moderne namen kiezen elk een ander kenmerk van dezelfde vogel: het Nederlandse grijsstuittriller noemt de grijze stuit, het Engelse White-winged Triller het witte vleugelveld en het Spaanse oruguero tricolor sluit bij de wetenschappelijke naam aan. De soort is in het verleden wel samen met de op Timor en Java levende Lalage sueurii als één soort behandeld; tegenwoordig worden de twee gescheiden gehouden.




