Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Salvins prion
Salvins prion | Pachyptila salvini
Salvin's Prion | Prión de Salvin
Salvins prion (Pachyptila salvini) is een walvisvogel van de zuidelijke Indische Oceaan die Australië en Nieuw-Zeeland alleen als dwaalgast bereikt — meestal dood, op een strand, na een winterstorm. Hij zit in alles tussen de Antarctische prion en de breedbekprion in: 27 cm lang, met een snavel van 13,5 tot 17,5 mm breed waarvan de zijkanten naar buiten bollen en waarbij de filterlamellen ook bij gesloten snavel van opzij zichtbaar blijven.
Geluid
In dit kaartvenster is hij geluidloos: hij broedt hier niet, en prions zwijgen op zee. In de kolonies op Marion, Prince Edward en de Crozeten roept hij 's nachts, met het harde ratelende gekwetter en het zachtere, duifachtige koeren dat het hele geslacht kenmerkt; in een dichte kolonie loopt dat uit op één aanhoudend geruis. Een aangespoelde vogel in de hand piept hooguit zwak.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie gevonden; hieronder staat wel waar je op moet letten.
Herkenning
Ongeveer 27 cm lang en 170 g zwaar, met een vleugel van rond 19 cm — groter dan de Antarctische prion, kleiner dan de breedbekprion. Blauwgrijs van boven met de zwarte M over de vleugels, wit van onderen, blauwgrijze snavel en blauwe poten en voeten. Het onderscheidende zit volledig in de kop: de snavel is betrekkelijk groot en donker, met naar buiten gebogen zijkanten in plaats van rechte, met een kleine nagel op de punt, en met lamellen die bij gesloten snavel van opzij zichtbaar zijn. Het gezicht is grijzer dan bij de dunbekprion, maar minder donker dan bij de breedbekprion.
Verwarringssoorten
Dit is het moeilijkste determinatieprobleem van het geslacht, en het is eerlijker om te zeggen dat vogels op zee vrijwel nooit met zekerheid als Salvins prion (Pachyptila salvini) te benoemen zijn. De Antarctische prion (Pachyptila desolata) heeft een smallere (11–15,5 tegen 13,5–17,5 mm), helderder blauwe snavel met rechte zijkanten, een grotere nagel en lamellen die bij gesloten snavel juist verborgen blijven; de maten overlappen bovendien, zodat alleen de snavelvorm doorslaggevend is. De breedbekprion (Pachyptila vittata) is duidelijk groter (28 cm) en heeft een massievere, doffere snavel van 18,7–24,3 mm, een hoger voorhoofd en een donkerder kop en bovenborst; de twee werden vroeger als één soort behandeld, en salvini is dan ook oorspronkelijk als ondersoort van vittata beschreven. De dunbekprion (Pachyptila belcheri) is meteen af te strepen op de zeer smalle snavel (9,5–12,5 mm) en het opvallend bleke gezicht, de duifprion (Pachyptila turtur) en de dikbekprion (Pachyptila crassirostris) op hun kleinere formaat, korte stompe snavel en veel bredere zwarte staartpunt.
Leefgebied
Open subantarctische en koel-gematigde oceaan, buiten het broedseizoen ver uit de kust en grotendeels in de zuidelijke Indische Oceaan. Hij foerageert aan de oppervlakte op kril, amfipoden en ander dierlijk plankton, hydroplanend met open vleugels en de snavel half in het water, waarbij de lamellen als een zeef werken. Op de broedeilanden, alle buiten dit kaartvenster, graaft hij holen in veen en zachte grond onder tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en kussenplanten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Hij broedt nergens in dit kaartvenster. De kolonies liggen op de Crozeten — vooral op Île aux Cochons en Île de l'Est — en op Marion en Prince Edward in de zuidelijke Indische Oceaan; de wereldstand wordt op ongeveer 5,4 miljoen paren geschat. In Nieuw-Zeeland is hij een dwaalgast die laat in de winter op de westkust van het Noordereiland aanspoelt, soms in grote aantallen: bij de aanspoeling van 1974 werden 5.228 vogels geteld. In Australische wateren duiken enkele vogels op langs de zuidkust; de gidsstatus is dan ook dwaalgast.
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Reken er niet op deze vogel vanaf een boot te determineren. De praktische kans ligt op het strand: loop in augustus of september, na een aanhoudende westerstorm, de westkust van het Noordereiland of de zuidkust van Australië af en bekijk elke aangespoelde prion in de hand. Meet de snavel op zijn breedste punt, kijk of de zijkanten bol staan of recht lopen, en kijk of er lamellen onder de snijrand uitsteken terwijl de snavel dicht is — dat laatste kenmerk scheidt hem van de Antarctische prion en is op zee nooit te zien.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC), met een wereldstand rond 5,4 miljoen paren en een verspreiding die volledig buiten dit kaartvenster ligt. De risico's zitten op de broedeilanden: op de Crozeten en Marion zijn ingevoerde muizen en, historisch, katten de grootste bedreiging voor eieren, jongen en zelfs volwassen vogels, en de eilanden zijn zo klein in aantal dat één mislukte uitroeiing zwaar telt. In deze regio is de zichtbaarste doodsoorzaak de massale stormsterfte die de aanspoelingen veroorzaakt.
Wetenschappelijke naam
Pachyptila salvini | (Mathews, 1912)
Mathews beschreef de vorm in 1912 als Prion vittatus salvini, dus als ondersoort van de breedbekprion; omdat het geslacht veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De typelocatie gaf hij op als 'de Crozeten, Marion Island, enz.', in 1934 door hemzelf beperkt tot Marion Island. Het epitheton eert Osbert Salvin (1835–1898), de Engelse ornitholoog. Let op de valkuil in de namen: drie soorten in deze gids, uit drie geslachten en twee families, dragen zijn naam — Salvins prion (Pachyptila salvini) hier, Salvins albatros (Thalassarche salvini, Diomedeidae, door Rothschild in 1893 naar hem genoemd) en Salvins stormvogel (Pterodroma heraldica), die zijn Nederlandse gidsnaam niet aan een opdracht maar aan het auteurschap dankt: Salvin beschreef die soort zelf in 1888. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger, uit Grieks pakhus 'dik' en ptilon 'veer'.

