Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Antarctische prion

Antarctische prion | Pachyptila desolata

Antarctic Prion | Prión antártico

De Antarctische prion is de talrijkste walvisvogel van de koude zee ten zuiden van Australië en Nieuw-Zeeland: een duifgrote zeevogel, blauwgrijs van boven met een zwartachtige M over de uitgespreide vleugels, wit van onderen en met een zwarte staartpunt. Wat hem van zijn vijf vrijwel identieke verwanten scheidt is niet het kleed maar de snavel: helderblauw, recht van zijkant en 11 tot 15,5 mm breed — midden in de reeks van het geslacht.

Antarctische prion (Pachyptila desolata)
Foto: Stefan Brending ( 2eight ) — CC BY-SA 3.0 de · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee zwijgt hij vrijwel altijd. Het geluid hoort bij de kolonie, en daar pas na zonsondergang: een hard, ratelend gekwetter, afgewisseld met een zachter, duifachtig koeren — koe-roe-roe — dat in een dichte kolonie tot één aanhoudend geruis samenvloeit. Vogels die in het donker boven de tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) rondcirkelen roepen kort en schel; uit het hol zelf klinkt het koeren gedempt. Het is het geluid dat de vogel zijn Maori-naam totorore heeft bezorgd.

Luister: ZangXC555374

Opname: Émile Brisson-Curadeau — CC BY-NC-SA 4.0 · Cochon, France · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 26 cm lang en 150 g zwaar, met een vleugel van rond 18 cm. Blauwgrijs van boven met een zwartachtige M die van de ene vleugelpunt over de rug naar de andere loopt, wit van onderen, met een grijze staart met zwarte punt, een donkere oogstreep en een grijze wang. De snavel is helderblauw en van bovenaf gezien recht van zijkant; de lamellen — de kamvormige filterplaatjes langs de bovensnavel — blijven verborgen zodra de snavel dicht is. In de vlucht is hij razendsnel en grillig, laag over het water en vaak in groepen van tientallen tot honderden die tegelijk draaien en zo afwisselend de blauwgrijze rug en de witte buik laten oplichten.

Verwarrings­soorten

Alle zes prions van deze gids hebben hetzelfde kleed; de determinatie draait om snavelbreedte en staartpunt, en een deel van de vogels op zee blijft eerlijk gezegd onbenoembaar. De dunbekprion (Pachyptila belcheri) heeft de smalste snavel van het geslacht (9,5–12,5 mm), een opvallend bleek gezicht met een brede witte wenkbrauwstreep en een fijnere zwarte staartpunt. Salvins prion (Pachyptila salvini) heeft een iets bredere (13,5–17,5 mm), donkerder snavel met naar buiten gebogen zijkanten en met lamellen die ook bij gesloten snavel van opzij zichtbaar zijn — dat is het enige harde onderscheid met de Antarctische prion, en het werkt alleen in de hand of op een scherpe foto van kortbij. De breedbekprion (Pachyptila vittata) is duidelijk groter en heeft een massieve loodgrijze snavel van 18,7 tot 24,3 mm met een hoog voorhoofd en een donkerder bovenborst. De duifprion (Pachyptila turtur) en de dikbekprion (Pachyptila crassirostris) zijn kleiner, hebben een kort, gedrongen snaveltje en een veel bredere zwarte staartpunt.

Leefgebied

De koude zee ten zuiden van de subtropische convergentie, met in de winter een uitloper over het continentaal plat van zuidelijk Australië en Nieuw-Zeeland. Hij zoekt de fronten op waar de watertemperatuur omslaat en het plankton zich opeenhoopt, en foerageert hydroplanend: met de vleugels open loopt hij over het wateroppervlak met de snavel half onder water en zeeft krill, andere kreeftachtigen, kleine inktvis en borstelwormen door de lamellen. Om te broeden komt hij aan land op de tussockhellingen en het keienstrand van subantarctische eilanden, waar hij een hol graaft of een rotsspleet betrekt.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster broedt hij op de Aucklandeilanden — Auckland zelf, Adams, Enderby, Ewing en Ocean Island — vrijwel zeker ook op de rotseilandjes bij Campbell, en op Macquarie-eiland. Op zee vult hij de hele subantarctische zone tussen Tasmanië, Macquarie, de Aucklands en de Antipoden, en trekt in de winterhelft van het jaar noordwaarts tot boven het plat voor Zuid-Australië, Victoria, Tasmanië, Nieuw-Zuid-Wales en beide Nieuw-Zeelandse hoofdeilanden. Na zware winterstormen spoelen er duizenden aan op de westkuststranden; hij is veruit de talrijkste prion op Australische stranden.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Boek een pelagische tocht uit Eaglehawk Neck op Tasmanië, uit Port Fairy in Victoria of uit Wollongong in Nieuw-Zuid-Wales tussen juni en augustus, of vaar bij Kaikoura uit; prions komen daar in troepen achter het lokvoer aan. Fotografeer elke vogel recht van voren én van bovenaf, want alleen op zo'n beeld is de snavelbreedte te schatten, en fotografeer daarna de staart. Loop in augustus en september na een westerstorm een strand af: een dode prion in de hand is de enige zekere determinatie die de meeste waarnemers ooit krijgen — meet de snavel op zijn breedste punt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), met een wereldstand van vele miljoenen vogels. Dat verhult dat de soort in Nieuw-Zeeland als relict geldt: van het vasteland is hij volledig verdwenen en hij houdt alleen nog stand op eilanden. Op Aucklandeiland roven verwilderde katten en varkens eieren en jongen; het uitroeien van ratten op Campbell in 2001 en van konijnen op enkele Aucklandeilandjes in 1993 heeft de vogel er vooruit geholpen. Daarbij komen verdrinking in de netten van de inktvisvisserij en stormsterfte, die in een slecht jaar duizenden vogels kost.

Wetenschappelijke naam

Pachyptila desolata | (Gmelin, 1789)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria desolata; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. desolata betekent 'verlaten' en verwijst naar de typelocatie Desolation Island, de oude naam van Kerguelen (Île de la Désolation). Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger, uit Grieks pakhus 'dicht, dik' en ptilon 'veer'. Het woord prion zelf komt van Grieks priōn, 'zaag', naar de gezaagde filterlamellen in de snavel. De Maori-naam is totorore.