Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Noordelijke reuzenstormvogel

Noordelijke reuzenstormvogel | Macronectes halli

Northern Giant-Petrel | Abanto marino subantártico

De noordelijke reuzenstormvogel is een albatros in formaat maar een stormvogel in bouw: bijna een meter lang, met een spanwijdte tot ruim twee meter en een enorme hoornkleurige snavel waarop de neusbuizen als een aparte koker bovenop liggen. Hij leeft van kadavers van pinguïns en zeehonden, is op de kolonie de schrik van elke jonge zeevogel, en is van zijn zuidelijke tweelingsoort in de praktijk alleen te scheiden op de kleur van de snavelpunt: bij deze soort roodbruin.

Noordelijke reuzenstormvogel (Macronectes halli)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op zee klinkt hij vooral bij het aas: een diep, keelachtig gegrom en gebrul, met scherp gehinnik en gesis als vogels elkaar van een kadaver verdrijven. Op de kolonie hoort daar snavelgeklapper bij, en een balkend geschreeuw met opgeheven vleugels. Jongen verdedigen zich door een straal maagolie te spuiten, een geluidloos maar zeer doeltreffend antwoord.

Luister: RoepXC623852

Opname: Hichem MACHOUK — CC BY-NC-SA 4.0 · Pointe du Morne, France · xeno-canto

Herkenning

Een reusachtige stormvogel van ongeveer 90 cm, met een spanwijdte van anderhalf tot ruim twee meter en een gewicht van 2,5 tot 5,8 kg; mannetjes zijn ongeveer een vijfde zwaarder dan vrouwtjes. De snavel is 9 tot 11 cm lang, roze-geel van grondkleur, met de neusbuizen als een lange koker over de bovensnavel — het kenmerk waarmee elke reuzenstormvogel in één oogopslag van een albatros te scheiden is. Beslissend is de nagel op de snavelpunt: die is bij deze soort steenrood tot roodbruin, soms met blauwzwarte vlekjes. Jonge vogels zijn egaal roetzwart; met de jaren wordt de vogel donker van boven en bleek van onderen, waarbij het wit vanaf gezicht en voorhals over de onderzijde uitloopt terwijl kruin en nek bruin blijven. Een witte kleurvorm bestaat bij deze soort niet. De vlucht is bultig en kortnekkig, met zware slagen en stijve, licht gebogen vleugels.

Verwarrings­soorten

De zuidelijke reuzenstormvogel (Macronectes giganteus) is de enige echte verwarring, en het onderscheid staat of valt met de snavelpunt: bij halli is de nagel steenrood tot roodbruin, bij giganteus geelhoornkleurig met een groene punt, variërend van blauwgroen tot appelgroen. Bij oudere vogels helpt het kleedpatroon mee: halli wordt donker van boven en bleek van onderen met een bruin blijvende kruin, terwijl giganteus een donker lichaam houdt met een scherp afgescheiden witte kop en hals. Bovendien komt bij giganteus een geheel witte kleurvorm voor — ongeveer één op de tien vogels — en bij halli nooit. Jonge vogels van beide soorten zijn geheel roetzwart en zonder zicht op de snavelpunt praktisch ononderscheidbaar; formaat is geen hulp, want de overlap is groot. Albatrossen (Diomedea, Thalassarche) zijn slanker van kop en hals en missen de koker met neusbuizen bovenop de snavel.

Leefgebied

Zee boven het continentaal plat, de helling en de open subantarctische oceaan, maar veel meer dan andere stormvogels ook vlak bij de kust: rond zeehondenkolonies, pinguïnkolonies en havens, waar aas te vinden is. Hij foerageert ook aan land, op stranden en bij ligplaatsen van zeeolifanten. Om te broeden kiest hij open, zacht hellend terrein op subantarctische eilanden — tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), kale grindvelden en de randen van kruidenvelden — waar het nest een lage hoop plantenresten is, vaak in losse groepjes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen het kaartvenster broedt hij op de Nieuw-Zeelandse eilanden Chatham, Antipoden, Auckland en Campbell, in het gebied rond Stewarteiland, en op Macquarie ten zuidoosten van Australië; buiten dit venster op Zuid-Georgië, Marion, Crozet en Kerguelen. Hij blijft doorgaans ten noorden van de Antarctische Convergentie, precies het punt waarin hij van zijn zuidelijke verwant verschilt. Op zee is hij het hele jaar door te zien in de wateren rond Nieuw-Zeeland, met Kaikoura als betrouwbaarste plek, en langs de zuidkust van Australië tot in Nieuw-Zuid-Wales en West-Australië, vooral in de winter.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Bij Kaikoura komt hij op enkele meters van de boot op het aas af, en dat is precies wat je nodig hebt: fotografeer de snavel recht van opzij en zoom in op de nagel. Rood betekent noordelijke, groen betekent zuidelijke. Laat je niet leiden door de kop, want een bleekkoppige vogel kan van beide soorten zijn, en laat je zeker niet leiden door het formaat. In de haven van Bluff, Stewarteiland of Lyttelton hangen ze soms rond de vissersschepen, waar dezelfde regel geldt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC), en de soort is van Gevoelig naar deze categorie teruggezet omdat de aantallen stijgen: rond 2001 werd de wereldpopulatie op 17.000 tot 21.000 vogels geschat, met een toename van ongeveer een derde per tien jaar. Dat herstel wordt toegeschreven aan meer voedsel — groeiende zeehondenkolonies en visafval — en aan betere regels in de beugelvisserij. Bijvangst aan beuglijnen blijft de belangrijkste doodsoorzaak op zee, en op de kolonies zijn de vogels gevoelig voor verstoring: een broedende reuzenstormvogel die door een wandelaar wordt opgejaagd, laat zijn ei achter.

Wetenschappelijke naam

Macronectes halli | Mathews, 1912

Mathews voerde de vorm in 1912 in als ondersoort Macronectes giganteus halli, in The Birds of Australia; ze is later als aparte soort erkend, en omdat het geslacht daarbij niet veranderde, blijven auteur en jaartal zonder haakjes. Het epitheton eert Robert Hall, een Australisch ornitholoog. Het geslacht Macronectes werd in 1905 door Richmond ingevoerd en is gevormd uit het Griekse makros, 'groot', en nēktēs, 'zwemmer'. De typelocatie is Kerguelen.