Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Dunbekprion
Dunbekprion | Pachyptila belcheri
Slender-billed Prion | Prión picofino
De dunbekprion is de bleekste en fijnst gebouwde van de zes walvisvogels, en de enige die in dit kaartvenster niet broedt: hij komt in de winter uit de Falklands, Kerguelen en Crozet naar de zee onder Australië en Nieuw-Zeeland. Zijn snavel is met 9,5 tot 12,5 mm de smalste van het hele geslacht — minder dan de helft van die van de breedbekprion — en zijn gezicht is opvallend wit.
Geluid
Binnen dit kaartvenster is hij stom: hij broedt hier niet en prions zwijgen op zee. In de kolonies op de Falklands en Kerguelen is hij 's nachts luidruchtig, met een hard ratelend gekwetter uit de holen en een zachter, duifachtig koeren daartussen; paren roepen elkaar in de gang van het hol met korte, kirrende noten toe. Wie hem hier hoort, hoort hooguit het zwakke piepen van een uitgeputte, aangespoelde vogel.
Opname: Kevin Guille — CC BY-NC-SA 4.0 · Mayes island, France · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 26 cm lang en 145 g zwaar, maar slanker en langvleugeliger van indruk dan de andere prions van dat formaat. Blauwgrijs van boven met de zwarte M over de vleugels, wit van onderen. Het gezicht is het kenmerk: bleker dan bij elke andere prion, met een brede, scherp afgetekende witte wenkbrauwstreep boven een donkere oogstreep, waardoor de kop een opvallend wit-en-donker gestreepte indruk maakt. De staart is wigvormig grijs met een smalle zwarte punt, die veel minder in het oog springt dan de brede staartpunt van duif- en dikbekprion. De snavel is licht blauwgrijs, recht en uitzonderlijk smal.
Verwarringssoorten
De Antarctische prion (Pachyptila desolata) is het geval dat het vaakst speelt, want de twee komen hier in dezelfde winters en vaak in dezelfde troep voor: desolata heeft een bredere snavel (11–15,5 tegen 9,5–12,5 mm) en een duidelijk donkerder, grijzer gezicht, met een minder scherp afgezette wenkbrauw. Salvins prion (Pachyptila salvini, 13,5–17,5 mm) en de breedbekprion (Pachyptila vittata, 18,7–24,3 mm) hebben een fors zwaardere, donkerder snavel en een donkerder kop; bij de breedbekprion loopt het grijs tot op de bovenborst door. De duifprion (Pachyptila turtur) en de dikbekprion (Pachyptila crassirostris) zijn kleiner en compacter, hebben een egaler grijze kop zonder die scherpe wenkbrauw en een veel bredere zwarte staartpunt. Op zee blijft het bleke gezicht het eerste dat opvalt, maar wie geen goede foto van de kop heeft, doet er verstandig aan het bij 'prion spec.' te houden.
Leefgebied
Open subantarctische en koel-gematigde oceaan, buiten het broedseizoen vrijwel altijd ver uit de kust; hij komt alleen bij land als de wind hem er heen drijft. Hij foerageert aan de oppervlakte op kleine kreeftachtigen — vooral amfipoden en kril — en op kleine inktvis, hydroplanend met open vleugels en de snavel half in het water. In de broedgebieden, buiten dit kaartvenster, graaft hij holen in zachte veenbodem onder tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en Azorella-kussens.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Hij broedt niet in de Nieuw-Zeelandse of Australische regio: de kolonies liggen op de Falklandeilanden (meer dan een miljoen paren), op Kerguelen (700.000 tot een miljoen paren), op Isla Noir voor de kust van zuidelijk Chili en op de Crozeten. In dit kaartvenster is hij een wintergast van de zuidelijke zee en de rand van het plat, het talrijkst voor de zuidkust van Australië en Tasmanië. In Nieuw-Zeeland komt hij in kleine aantallen voor en wordt hij vooral laat in de winter aangespoeld gevonden op de westkust van het Noordereiland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek hem in juli en augustus: pelagische tochten uit Port Fairy, Portland of Eaglehawk Neck geven de beste kans, en na een zuidwesterstorm loont een wandeling over een strand aan de zuidkust of aan de westkust van het Noordereiland. Fotografeer bij elke prion de kop recht van opzij; het contrast tussen de witte wenkbrauw en de donkere oogstreep is bij deze soort sterker dan bij welke andere prion ook, en samen met het smalle snaveltje is dat het enige wat op een foto van zee standhoudt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC): de wereldstand ligt boven de twee miljoen paren en de soort is daarmee een van de talrijkste zeevogels van de zuidelijke oceaan. De voornaamste zorg zijn verwilderde katten op Kerguelen, die op de grote kolonies daar jaarlijks grote aantallen volwassen vogels doden. Verder tellen stormsterfte — in slechte jaren spoelen er honderden tot duizenden aan op Australische en Nieuw-Zeelandse stranden — en de gevoeligheid van een planktoneter voor veranderingen in de zeetemperatuur.
Wetenschappelijke naam
Pachyptila belcheri | (Mathews, 1912)
Mathews beschreef de soort in 1912 als Heteroprion belcheri; omdat het geslacht sindsdien veranderde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton eert Charles Belcher, een Australische rechter en amateurornitholoog die de eerste exemplaren op een strand bij Geelong in Victoria vond — en Geelong is dan ook de typelocatie, wat opmerkelijk is voor een vogel die nergens in Australië broedt. Het geslacht Pachyptila werd in 1811 ingevoerd door Illiger, uit Grieks pakhus 'dik' en ptilon 'veer'. De Maori-naam is korotangi.

