Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Gebandeerde witgezicht

Gebandeerde witgezicht | Aphelocephala nigricincta

Banded Whiteface | Cariblanco bandeado

De gebandeerde witgezicht is het witgezichtje van het rode binnenland: negen tot tien centimeter, een wit gezicht met een donkere band over het oog, en dwars over de witte borst een scherpe zwarte band. Hij huppelt in paartjes of kleine troepjes over kale grond tussen mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura), saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten) en spinifex (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland), en is in de hitte van het middaguur vrijwel niet te vinden.

Gebandeerde witgezicht (Aphelocephala nigricincta)
Foto: Phil Barron — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een dun, hoog getjilp en een snel, hakkelend getwitter, in de open vlakte ver hoorbaar. Daarnaast korte, scherpe alarmnoten wanneer een troepje opvliegt naar de dichtstbijzijnde struik. Het repertoire is bescheiden en er zijn maar weinig opnamen van; op geluid alleen zijn de drie witgezichten niet met zekerheid te scheiden.

Luister: ZangXC938670

Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Ngaanyatjarra-Giles, Shire of Ngaanyatjarraku, Western Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Negen tot tien centimeter, ongeveer elf gram. Het gezicht is wit en wordt begrensd door een donkere band die dwars over het oog loopt. De bovendelen zijn grijsbruin, de bovenborst bleek blauwgrijs, en daaronder staat een brede, scherpe zwarte band over de verder witte onderdelen. Op de flanken zit een roodbruine vlek. Snavel en poten zijn donker, het oog is wit. Man en vrouw zijn gelijk; jonge vogels zijn valer en missen de borstband.

Verwarrings­soorten

De zuidelijke witgezicht (Aphelocephala leucopsis) overlapt over een groot deel van het binnenland: die is forser, mist de zwarte borstband volledig en heeft olijfbeige tot kaneelkleurige flanken in plaats van een scherpe roodbruine vlek. Het kastanjeborstwitgezicht (A. pectoralis) heeft op dezelfde plaats een roodbruine in plaats van zwarte band en komt alleen in het gibberland (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) van Zuid-Australië voor. Let op: jonge gebandeerde witgezichten missen de band nog en zijn ooit aangezien voor A. pectoralis; dat misverstand werd pas in 1921 opgelost door jonge vogels te vangen. De doornsnavels van hetzelfde terrein, zoals de roodstaartdoornsnavel (Acanthiza uropygialis), hebben een dun, spits snaveltje in plaats van het korte, vinkachtige snaveltje van de witgezichten.

Leefgebied

Het droge binnenland: mulga en ander acaciastruweel, saltbush- en bluebushvlakten (blauwgrijs zoutstruweel van het halfwoestijnachtige binnenland), spinifex op rood zand, zandduinen en stenige gibbervlakten. Hij heeft open grond nodig om over te huppelen en struiken om in weg te duiken, en mijdt zowel gesloten bos als volledig kale zoutpannen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch in het droge deel van Australië, van zuidwestelijk Queensland en noordwestelijk Nieuw-Zuid-Wales door Centraal-Australië tot Mount Magnet in West-Australië. De soort is standvogel en trekt niet, maar verplaatst zich wel plaatselijk met de regen mee. Het verspreidingsgebied beslaat ruim anderhalf miljoen vierkante kilometer.

  • Jaarrond
  • Winter
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rijd in de vroege ochtend een stuk grindweg door mulga of saltbush en let op kleine vogeltjes die vóór de auto uit over de grond huppelen. Zet dan de kijker op de borst: een scherpe zwarte dwarsband hoort bij deze soort. Een vogel zonder band is óf een jong exemplaar óf de zuidelijke witgezicht. Bij koud winterweer is de soort 's ochtends laat op gang, want hij verlaagt 's nachts zijn lichaamstemperatuur en moet eerst opwarmen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC). De soort leeft in dunbevolkt terrein dat nauwelijks in cultuur is gebracht, en de aantallen zijn stabiel. Overbegrazing door vee, konijnen en kamelen kan de struiklaag en de kruidlaag plaatselijk wegnemen, en dat is de voornaamste bedreiging op lange termijn; van een landelijke achteruitgang is geen sprake.

Wetenschappelijke naam

Aphelocephala nigricincta | (North, 1895)

Alfred John North beschreef de soort in 1895 als Xerophila nigricincta; de typelocatie is de Missionary Plain in Centraal-Australië. De verhuizing naar een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aphelocephala komt van het Griekse apheles, 'eenvoudig, effen', en kephale, 'kop': de vogel met de gladde, effen kop. Het epitheton is Latijn, van niger, 'zwart', en cinctus, 'omgord': de zwartgebande.