Alle soorten › Zangvogels › Doornsnavels en verwanten › Zuidelijke witgezicht
Zuidelijke witgezicht | Aphelocephala leucopsis
Southern Whiteface | Cariblanco meridional
De zuidelijke witgezicht is het gewoonste van de drie witgezichten en tegelijk de soort waar het slechtst mee gaat: een gedrongen, grijsbruin vogeltje van elf centimeter met een witte voorhoofdsband, een bleek oog en een kort, vinkachtig snaveltje. Hij foerageert in troepjes van tien tot vijftien op de grond onder open bos, en is in veertig jaar uit grote stukken van zijn oude gebied verdwenen.
Geluid
Een aanhoudend, snel getwitter op één toon, waarmee een troepje al foeragerend voortdurend contact houdt; het klinkt drukker en vlakker dan de zang van de doornsnavels waarmee hij vaak samen optrekt. De vluchtroep is een kwiek wit, wit-a-wit. Bij gevaar volgt een hardere, schurende kzzurrk.
Opname: Louis Masarei — CC BY-NC-SA 4.0 · Cosmo Newbery, Shire of Laverton, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Tien tot twaalf centimeter, ongeveer twaalf gram, en daarmee steviger gebouwd dan een doornsnavel. Grijsbruin op de rug, bleekgrijs op de onderdelen met olijfbeige flanken; in Zuidwest-Australië zijn die flanken kaneelkastanje gevlekt. Over het voorhoofd loopt een witte band met daarboven een donkere rand. De staart draagt een brede zwarte band met witte punten die bij het opvliegen oplicht. Het oog is crèmekleurig, de snavel donkergrijs, kort en vinkachtig.
Verwarringssoorten
De gebandeerde witgezicht (Aphelocephala nigricincta) deelt over een groot deel van het binnenland hetzelfde terrein en heeft een scherpe zwarte band over de borst die deze soort volledig mist, plus een witter gezicht en een roodbruine flankvlek. Het kastanjeborstwitgezicht (A. pectoralis) heeft op die plaats een kastanjekleurige band en komt alleen in het gibberland (steenwoestijn met een dek van gepolijste keien) van Zuid-Australië voor. Alle doornsnavels van hetzelfde open bos, en met name de roodstaartdoornsnavel (Acanthiza uropygialis) en de geelstuitdoornsnavel (Acanthiza chrysorrhoa), hebben een dun en spits snaveltje in plaats van het korte, vinkachtige snaveltje, en missen de witte voorhoofdsband. Op afstand zijn foeragerende troepjes op de grond goed te scheiden aan het halve huppelen van de witgezicht.
Leefgebied
Droog open bos, open bos en binnenlands struweel: mallee (laag, veelstammig eucalyptusstruweel van droog zuidelijk Australië), mulga (acaciastruweel van het droge binnenland, gedomineerd door Acacia aneura) en saltbush (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten), bij voorkeur waar gevallen takken en dode bomen liggen. Holle takken, stronken, schuttingpalen en zelfs nestkasten dienen als nestplaats, en dat verklaart waarom de soort verdwijnt zodra dood hout wordt opgeruimd. Het gaat altijd om terrein met een open of grazige onderlaag waarin hij op de grond kan foerageren.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Over de zuidelijke helft van Australië, met uitzondering van Tasmanië en de kuststreken van het vasteland: Queensland noordwaarts tot Birdsville en oostwaarts tot de Darling Downs, Nieuw-Zuid-Wales tot Tenterfield, de drogere binnenlanden van Victoria, Zuid-Australië tot het Eyre-schiereiland, het zuiden van het Noordelijk Territorium en zuidelijk West-Australië. Twee ondersoorten: de nominaatvorm in het oosten en midden, en A. l. castaneiventris in het zuidwesten, met een roestbruin aangelopen flank.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Zoek open bos met veel dood hout op de grond en let op een troepje kleine vogels dat half huppelend, half lopend over de bodem werkt. De witte staartpunten flitsen bij het opvliegen. Krijg je er een stil, kijk dan naar de snavel: kort en vinkachtig hoort bij de witgezicht, dun en spits bij een doornsnavel. Controleer vervolgens de borst: zonder band is het deze soort.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU). Dat is een opvallende status voor een vogel die nog altijd plaatselijk algemeen is, maar de atlasgegevens laten een achteruitgang van ongeveer 43 procent zien en die zet door. De oorzaken zijn het ontginnen van open bos, overbegrazing waardoor de kruidlaag en de zaadvoorraad verdwijnen, en het opruimen van gevallen takken en dode bomen waarin hij nestelt; ook mijnbouw speelt plaatselijk een rol. Verschillende Australische overheden hebben de soort inmiddels op hun eigen lijsten van bedreigde soorten gezet. Wie hem op eigen terrein wil houden, laat het dode hout liggen.
Wetenschappelijke naam
Aphelocephala leucopsis | (Gould, 1841)
John Gould beschreef de soort in 1841 als Xerophila leucopsis; de typelocatie is Adelaide in Zuid-Australië. De verhuizing naar een ander geslacht zet auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Aphelocephala komt van het Griekse apheles, 'eenvoudig, effen', en kephale, 'kop'. Het epitheton is eveneens Grieks, van leukos, 'wit', en opsis, 'gezicht': het witte gezicht dat aan alle drie de soorten hun naam geeft.



