Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Chatham-snip
Chatham-snip | Coenocorypha pusilla
Chatham Islands Snipe | Chochita de las Chatham
De Chatham-snip is de kleinste van de Nieuw-Zeelandse snippen: een bruin gemarmerd, kortpotig vogeltje van twintig centimeter dat alleen nog op een handvol rattenvrije eilandjes bij Pitt Island leeft. Hij loopt overdag gewoon in het open tussen de zegge en het Muehlenbeckia-struweel, iets wat op de meeste Nieuw-Zeelandse eilanden ondenkbaar is geworden. Op Rangatira is hij zo talrijk dat je over hem struikelt; twintig kilometer verderop, op Chatham Island zelf, is hij al eeuwen verdwenen.
Geluid
Het mannetje roept een luid tsjup tsjup dat kan uitgroeien tot een tweelettergrepig kwie-joe kwie-joe, vooral in de nachtelijke baltsvlucht. De alarmroep is een scherp tsjep en klinkt eveneens vooral in het donker. Ook deze soort voert de hakawai uit: een steile duikvlucht waarbij de buitenste staartveren trillen en een laag gebrul voortbrengen, het geluid dat in de Maori-overlevering aan een onzichtbare vogel werd toegeschreven.
Opname: David Boyle — CC BY-NC-SA 4.0 · Rangatira, Chatham Islands, New Zealand · xeno-canto
Herkenning
Een klein, bolrond steltlopertje van twintig centimeter en ongeveer tachtig gram, de kleinste van het geslacht. De snavel is recht en slank en met tweeënveertig tot achtenveertig millimeter opvallend kort, ruim een centimeter korter dan bij de aucklandsnip, en vleeskleurig met een donkere punt. De pootkleur verschilt naar geslacht: bleekgeel bij het mannetje, groenig bij het vrouwtje, en olijfkleurig bij jonge vogels. De bovendelen zijn rijk bruin en zwart met okergele veerzomen, de buik is licht en vrijwel zonder bandering. Mannetjes zijn iets kleiner dan vrouwtjes maar feller getekend op de rug.
Verwarringssoorten
Binnen de Chathams is er niets waarmee hij te verwarren valt; het onderscheid met zijn twee verwanten is er een van kaart en niet van kenmerk. De aucklandsnip (Coenocorypha aucklandica) zit uitsluitend op de Aucklands, de Antipoden en Campbell, ver naar het zuidwesten, en is met drieëntwintig centimeter groter en langer van snavel en poot. De snaressnip (Coenocorypha huegeli) zit uitsluitend op de Snares en op enkele eilandjes bij Stewarteiland, is tussenin van formaat en heeft duidelijk dwars gebandeerde buikveren, waar de Chatham-snip een vrijwel ongetekende lichte buik heeft. Geen van de drie arealen raakt een ander. Op de Chathams loopt verder alleen de veel grotere en langpotiger Chatham-scholekster over dezelfde kusten, en die verwart niemand.
Leefgebied
Dichte lage begroeiing op kleine, roofdiervrije eilanden: zeggevelden, tapijten van de klimplant Muehlenbeckia, ruig gras en opschietend struweel van akeake en Olearia, vaak in de schaduw van het zeevogelbos waar stormvogels in de bodem graven. Die vogelbodem, los en rijk aan wormen en insecten, is precies wat hij nodig heeft: hij prikt er snel en herhaald in, als een naaimachine. Kale rotskust en open weiland gebruikt hij niet.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
Alleen op enkele kleine eilanden in de Chathamgroep, alle vlak bij Pitt Island: Rangatira, Mangere, Little Mangere, Rabbit Island en de Star Keys. Op Chatham Island zelf en op Pitt Island ontbreekt hij, want daar zitten ratten en katten. De hele wereldstand telt ongeveer tweeduizend vogels, waarvan er alleen al circa dertienhonderd op de tweehonderdachttien hectare van Rangatira zitten. Buiten de Chathams komt hij nergens voor, ook niet als dwaalgast op het Nieuw-Zeelandse hoofdland.
- Jaarrond
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
De eilandjes waar hij zit zijn natuurreservaat en alleen met vergunning te betreden, zodat de meeste bezoekers hem vanaf een boot bij Rangatira hooguit horen. Wie wel aan land mag: loop het pad door het lage bos en kijk naar de open plekken in de strooisellaag, want hij foerageert daar overdag in het volle zicht en vlucht nauwelijks. Let op de pootkleur om man en vrouw te scheiden, en luister in het donker naar de hakawai boven het zeevogelbos.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU) op de wereldlijst en landelijk kwetsbaar binnen Nieuw-Zeeland, met ongeveer tweeduizend vogels op een handvol kleine eilanden. De oorzaak van dat kleine areaal ligt in het verleden: Polynesische ratten roeiden de soort tussen ongeveer 1500 en 1800 op Chatham Island uit, verwilderde katten deden dat laat in de negentiende eeuw op Pitt Island, en toen op Mangere katten kwamen verdween hij daar rond 1900 alweer. Na de uitroeiing van de katten werden er in 1970 drieëntwintig vogels van Rangatira naar Mangere teruggezet, waarna Little Mangere en Rabbit Island vanzelf werden gekoloniseerd. Een poging in 2008 om twintig vogels binnen een roofdierwerend hek op Pitt Island te vestigen mislukte: ze waren binnen een jaar weggetrokken. Het risico blijft dat één zwangere rat op Rangatira tweederde van de wereldstand kost.
Wetenschappelijke naam
Coenocorypha pusilla | (Buller, 1869)
Walter Buller beschreef de vogel in 1869 als Gallinago pusilla; omdat hij later naar een ander geslacht is verhuisd, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton pusilla is Latijn voor 'heel klein', en dat is letterlijk bedoeld: dit is de kleinste snip van Nieuw-Zeeland. De typelocatie is Mangere Island in de Chathamgroep, waar de soort in datzelfde jaar 1869 voor de wetenschap werd ontdekt en waar ze rond 1900 door katten weer verdween, om er zeventig jaar later met de hand te worden teruggebracht.


