Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Japanse snip

Japanse snip | Gallinago hardwickii

Latham's Snipe | Agachadiza japonesa

De Japanse snip is de snip die de meeste Australiërs bedoelen als ze 'snipe' zeggen: de grootste van de drie soorten die het werelddeel bereiken, en de enige die ver naar het zuiden komt. De hele wereldstand broedt in Japan en het aangrenzende Rusland en brengt de zuidelijke zomer door in oostelijk Australië. Je ziet hem meestal maar één seconde, als een bruine, langsnavelige vogel die met een raspende roep vlak voor je voeten explodeert en zigzaggend over het riet verdwijnt.

Japanse snip (Gallinago hardwickii)
Foto: JJ Harrison ( https://www.jjharrison.com.au/ ) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Op de overwinteringsplaatsen is hij vrijwel zwijgzaam; het enige geluid dat de meeste waarnemers ooit horen is de alarmroep bij het opvliegen, een hard en schor krek krek dat één of twee keer klinkt en dan ophoudt. Bij een grotere schrik volgen er meer noten achter elkaar. Het balts- en baltsvluchtrepertoire, met het zoemen van de staartveren in de duik, hoort bij de broedgebieden in Japan en valt buiten het kaartvenster van deze gids.

Luister: VluchtroepXC696859

Opname: nick talbot — CC BY-NC-SA 4.0 · Banora Point, New South Wales, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, zwaar gebouwde snip van negenentwintig tot drieëndertig centimeter en ongeveer honderdnegentig gram, met een opvallend grote, ronde kop waarin de ogen ver naar achteren staan. De snavel is recht, dik aan de basis en met zeven tot acht centimeter ruim twee keer de koplengte, bruin met een donkerder punt; de poten zijn kort en olijfgroen. De kruin is donkerbruin met een lichte middenstreep, met daaronder een brede okerkleurige wenkbrauwstreep en een donkere teugelstreep die tot achter het oog doorloopt. De rug draagt vier lange, crèmekleurige lengtestrepen over een zwartbruin geschubde ondergrond. In de vlucht is hij donker, breed van vleugelbasis en spits van vleugelpunt, met een lange staart en zonder witte achterrand aan de armpennen.

Verwarrings­soorten

De twee andere snippen van Australië zijn de sleutel. De Siberische snip (Gallinago megala) is kleiner, korter van staart, minder spits van vleugelpunt en vliegt lager en rechter weg, met maar één of twee roepen; in de hand telt hij twintig tot tweeëntwintig staartpennen tegenover achttien brede bij de Japanse snip. De pijlstaartsnip (Gallinago stenura), die deze gids niet behandelt omdat hij Australië niet met zekerheid bereikt, heeft er vierentwintig tot achtentwintig, waarvan de buitenste tot naaldsmalle pennen zijn versmald. Buiten het geslacht is de verwarring met de Australische goudsnip (Rostratula australis) van hetzelfde moeras het belangrijkst: die is korter en boller, heeft een aan de punt verbrede, omlaag gebogen snavel, een witte schouderband, en vliegt traag met bungelende poten op ronde vleugels in plaats van explosief en zigzaggend. Een praktische vuistregel voor de oostkust: alles ten zuiden van Kaap York is vrijwel zeker deze soort.

Leefgebied

Ondiep zoet en brak moeras met dekking binnen bereik: nat tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland), velden van zegge en bies, de dichtgegroeide staarten van plassen en kreken, natte weilanden en waterzuiveringsvijvers. Overdag rust hij in begroeiing van twintig tot zestig centimeter hoog; 's nachts foerageert hij op ondiep, modderig open water van minder dan tien centimeter diep, waar hij met de snavel als een naaimachine op en neer in de modder steekt. De overgang tussen dekking en kaal slik is precies zijn terrein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Niet-broedende zomergast van oostelijk Australië, van noordelijk Queensland zuidwaarts door Nieuw-Zuid-Wales en Victoria tot in Tasmanië, met de grootste aantallen in het zuidoosten; naar het westen toe wordt hij snel zeldzaam. De eerste vogels komen eind juli in noordelijk Queensland aan en schuiven daarna zuidwaarts, zodat de zuidelijke moerassen in september vol zitten. Het zuidoosten wordt eind februari verlaten, waarna de trek langs de oostkust noordwaarts gaat en Australië in april leeg is. In Nieuw-Zeeland is hij een uitzonderlijke dwaalgast, op Norfolk hooguit toevallig.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Loop in december of januari de natte rand van een moerasje of een kreek af en let op de plaatsen waar hoog gras op kale modder uitkomt; hij houdt tot het laatst stil en vliegt dan schuin omhoog met de roep. Wie hem wil zién in plaats van opjagen, gaat in het laatste uur voor zonsondergang op afstand zitten met een telescoop op de modderrand, want dan komt hij zelf uit de dekking. Tel bij een groepje de vogels die opvliegen: ze verspreiden zich niet ver en landen meestal binnen honderd meter weer.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de wereldlijst en sinds januari 2024 als kwetsbaar op de Australische federale lijst gezet, met eenzelfde beoordeling in Victoria. De stand wordt op ongeveer zevenendertigduizend vogels in Japan geschat en op zo'n twintigduizend in Australië. Het knelpunt ligt aan beide uiteinden van de trekweg: in Japan verdwijnen de natte weilanden en rijstveldranden waar hij broedt, in Australië worden de ondiepe moerasjes en natte paddocks (omheind weiperceel op een Australisch landbouwbedrijf) gedraineerd, volgebouwd of te kort begraasd, vaak op particuliere grond waar geen beheer geldt. Omdat hij zich verstopt in plaats van te vluchten, worden verliezen bij ontwatering zelden opgemerkt.

Wetenschappelijke naam

Gallinago hardwickii | (Gray, 1831)

John Edward Gray beschreef de vogel in 1831 als Scolopax hardwickii; door de latere plaatsing in een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton hardwickii eert Charles Browne Hardwicke, een Engelse kolonist en verzamelaar in Tasmanië, en Tasmanië is ook de typelocatie. De geslachtsnaam Gallinago is laatmiddeleeuws Latijn voor 'houtsnip, snip'. De Engelse naam eert de arts en ornitholoog John Latham, die overigens geen aanwijsbare band met deze vogel had; de Nederlandse naam verwijst naar het broedgebied in Japan.