Alle soorten › Steltloperachtigen › Strandlopers en snippen › Snaressnip

Snaressnip | Coenocorypha huegeli

Snares Snipe | Chochita de las Snares

De snaressnip is een plompe, kortpotige snip die van nature op nauwelijks meer dan drie stukjes rots en tussock (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) in de Snaresgroep leeft, samen ongeveer driehonderddertig hectare. Hij foerageert dag en nacht door met snelle steken in de losse bodem onder het Olearia-bos te prikken, en is op North East Island zo talrijk dat er wel tien vogels per hectare zitten. Sinds 2005 is hij ook naar rattenvrije eilandjes bij Stewarteiland overgebracht, waar hij de plek inneemt van de uitgestorven snip van het Zuidereiland.

Snaressnip (Coenocorypha huegeli)
Foto: TheyLookLikeUs — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje roept een scherp, herhaald tsjup tsjup tsjup dat soms uitgroeit tot een luid kwie-joe kwie-joe kwie-joe. Wat bij deze soort juist opvalt is wat je níét hoort: van de snaressnip is de hakawai, de nachtelijke duikvlucht met brullende staartveren die de andere Nieuw-Zeelandse snippen uitvoeren, nooit vastgesteld. Dat maakt het geluidsbeeld hier merkbaar stiller dan op de Aucklands of de Chathams, en het is een van de argumenten waarmee de soort van zijn verwanten wordt gescheiden.

Luister: RoepXC295662

Opname: Johannes Fischer — CC BY-NC-SA 4.0 · Stewart Island, Southland District, Southland, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen, goed gecamoufleerde snip van tweeëntwintig centimeter en ongeveer honderdnegen gram, met een korte hals en zeer korte poten. De snavel is recht en slank, hoornkleurig met een donkere punt en korter dan bij de aucklandsnip maar langer dan bij de Chatham-snip. De pootkleur verschilt naar geslacht: geelachtig bij het mannetje, groenig bij het vrouwtje. De rug is minder bont gevlekt dan bij de verwanten, en het beste kenmerk in de hand of van heel dichtbij zijn de buikveren: die zijn dwars gebandeerd, waar de aucklandsnip een vrijwel ongetekende vuilwitte buik heeft. Mannetjes hebben helderder okergele veerzomen op de rug.

Verwarrings­soorten

Het onderscheid met de twee verwanten is in de eerste plaats geografisch. De aucklandsnip (Coenocorypha aucklandica) zit alleen op de Aucklandeilanden, de Antipoden en Campbell, honderden kilometers verderop, is groter en heeft langere poten en een langere snavel; zijn buik is ongebandeerd. De Chatham-snip (Coenocorypha pusilla) zit alleen bij Pitt Island in de Chathamgroep, aan de andere kant van Nieuw-Zeeland, en is kleiner met een opvallend korte snavel. Wat de kaart sinds 2005 lastiger maakt, is dat de snaressnip is uitgezet op Putauhinu, Whenua Hou, Kundy en de Mokinui-eilandjes bij Stewarteiland — daar zit dus nu een Coenocorypha-snip buiten zijn oorspronkelijke areaal, en dat is deze soort en niet een van de andere twee. Aziatische trekkende snippen van het geslacht Gallinago bereiken deze breedten niet.

Leefgebied

Dichte, vochtige bodembegroeiing op koele eilanden zonder roofdieren: tussock van Poa, varenvelden van Polystichum onder het lage Olearia-bos, en de losse, door zeevogels omgewoelde grond daaronder. Juist die met stormvogelholen doorwerkte bodem maakt het eiland voor hem rijk: hij haalt er vlokreeftjes, regenwormen, kevers en de larven en poppen van vliegen en kevers uit. Open rotskust gebruikt hij alleen om overheen te lopen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Van nature alleen op de Snares, tweehonderd kilometer ten zuiden van het Zuidereiland: North East Island van tweehonderdtachtig hectare, Broughton Island van achtenveertig hectare en de rots Alert Stack van vijf hectare. Daar leven ongeveer vierhonderd paren, samen zo'n duizend volwassen vogels. Sinds 2005 is hij daarnaast met de hand gevestigd op Putauhinu, waar dertig uitgezette vogels in 2011 al tot minstens driehonderdtwintig waren uitgegroeid, en later ook op Whenua Hou, Kundy en de Mokinui-eilandjes bij Stewarteiland. Op het Nieuw-Zeelandse hoofdland en in Australië komt hij niet voor.

  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Landen op de Snares is verboden, dus in het oorspronkelijke areaal blijft het bij kijken vanaf een zodiac langs de kust. De kans ligt tegenwoordig bij de uitgezette populaties: op de rattenvrije eilandjes bij Stewarteiland, met vergunning, loopt hij overdag door de strooisellaag onder het bos en laat hij zich tot op enkele meters benaderen. Sta stil op een open plek in het bos en wacht; de vogel komt dan gewoon voorbij lopen, prikkend als een naaimachine.

Staat van instandhouding

Gevoelig (NT) op de wereldlijst en binnen Nieuw-Zeeland beoordeeld als van nature schaars. De aantallen zijn stabiel en er is geen enkele menselijke druk op de Snares zelf, maar de hele oorspronkelijke stand zit op minder dan drie en een halve vierkante kilometer rots: één rat die aan land komt zou de soort in haar kerngebied kunnen wegvagen. Precies daarom zijn er sinds 2005 verzekeringspopulaties op rattenvrije eilandjes bij Stewarteiland gesticht, die tevens de lege plek opvullen van de snip van het Zuidereiland, voor het laatst gezien op Big South Cape Island in 1964 nadat daar ratten van een schip waren gekomen. De oudste geringde vogel van deze soort werd zeventien jaar oud.

Wetenschappelijke naam

Coenocorypha huegeli | (Tristram, 1893)

Henry Baker Tristram beschreef de vogel in 1893 als Gallinago huegeli; door de latere verplaatsing naar een ander geslacht staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het epitheton huegeli eert Anatole von Hügel, de Brits-Oostenrijkse natuuronderzoeker die het typemateriaal verzamelde. Tot 2010 werd de vogel als ondersoort van de aucklandsnip gevoerd; genetisch en morfologisch werk heeft hem sindsdien als eigen soort vastgezet. In het Maori heet hij tutukiwi. Het geslacht Coenocorypha werd in 1855 door George Robert Gray ingevoerd.