Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Bruinoorvliegenvanger
Bruinoorvliegenvanger | Poecilodryas cerviniventris
Buff-sided Robin | Petroica ventricanela
De bruinoorvliegenvanger is een vogel van één lijn in het landschap: de groene band bos langs de rivieren van tropisch Noord-Australië. Daarbuiten komt hij vrijwel niet. Zeventien centimeter, donkere kap met een lange witte wenkbrauwstreep, wit van keel tot buik en met warme reebruine tot roodbruine flanken onder de vleugel.
Geluid
Hij roept weinig, en dan vooral vroeg in de ochtend en laat in de middag. De gewone roep is een reeks van twee of drie korte, luide, heldere fluittonen waarvan de laatste hoger ligt, of een serie van drie tot vijf luide fluittonen met wisselende toonhoogte. Beide geslachten roepen hetzelfde. Daarnaast klinkt een ratelend kwetterend geluid bij contact met soortgenoten en jongen, en om een uitgevlogen jong uit het nest te lokken.
Opname: JACOB Hervé — CC BY-SA 4.0 · Mitchell Plateau, Shire of Wyndham-East Kimberley, Western Australia, Australia · xeno-canto
Herkenning
Een tamelijk grote vliegenvanger van zestien tot achttien centimeter met een opvallend lange staart. Kop en nek donker met een brede, lange witte wenkbrauwstreep, zwarte teugel en oordekveren, witte baardstreep en witte keel; mantel en nek donker olijfbruin tot zwart. De borst heeft een duidelijke grijze waas, de flanken en zijden zijn diep reebruin en vervagen op de buik naar bijna wit. De vleugel is donkerbruin tot zwart met een brede witte vleugelstreep, en alle staartpennen hebben witte punten. Snavel zwart, iris donkerbruin. Man en vrouw zijn niet aan het verenkleed te onderscheiden; mannetjes zijn gemiddeld groter. Jonge vogels zijn roestbruin met vage roomkleurige bandering.
Verwarringssoorten
De enige echte tegenhanger is de witoorvliegenvanger (Poecilodryas superciliosa), waarmee de soort tussen 1958 en 1994 als één soort werd behandeld. Ze zijn geografisch gescheiden door de zuidelijke Golf van Carpentaria: cerviniventris in het westen, superciliosa in het noordoosten van Queensland. Waar ze elkaar het dichtst naderen, zijn de verschillen juist het duidelijkst. cerviniventris is groter, heeft een dikkere en langere witte wenkbrauwstreep, een donkerder bovenrug, een brede zwarte gezichtsband, een grijze borst, een bredere witte vleugelstreep, en — het snelste veldkenmerk — diep reebruine tot roodbruine flanken waar superciliosa wit tot heel licht grijs is. Ook de witte punten op álle staartpennen zijn van cerviniventris. De derde verwant, de Nieuw-Guinese Poecilodryas hypoleuca, komt in Australië niet voor.
Leefgebied
Dichte oevervegetatie langs kreken en rivieren, met daarboven melaleuca, Nauclea, vijg, Terminalia, pandanus en zoetwatermangrove (Barringtonia acutangula). Binnen die band zoekt hij het dichtste deel op: pandanusbossages, bamboe en struweel van zoetwatermangrove. Daarnaast zit hij in moessonbossen en lianenstruwelen aan de voet van zandsteenwanden, en incidenteel in echte getijdenmangrove bij de kust. Het drogere, opener bos ernaast betreedt hij vrijwel nooit. Hij jaagt laag: vijfentachtig procent van alle waargenomen foerageeracties speelt zich af binnen drie meter van de grond, en vijfennegentig procent bestaat uit een duikvlucht vanaf een tak naar de bodem.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.
Verspreiding en trek
De noordelijke stroomgebieden van Australië, van de Kimberley in West-Australië via het Top End van het Noordelijk Territorium tot de noordwestelijke Golf van Carpentaria in Queensland. In het Noordelijk Territorium reikt hij van de grens met West-Australië tot Kakadu en oostelijk tot de Roper, de McArthur en Settlement Creek; oostelijk Arnhemland slaat hij over. In Queensland is hij beperkt tot de Gregory en de Nicholson, met Boodjamulla (Lawn Hill) National Park als bekendste plek. Hij is standvogel in de strengste zin: geringde vogels verplaatsen zich gemiddeld één kilometer en hoogstens drie, en een mannetje aan de McArthur River werd negen jaar en drie maanden na ringen nog op dezelfde plek gezien.
- Jaarrond
- Winter
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waar en wanneer kijken
Loop niet het bos in maar langs het water, en zoek de dichtste plek: waar pandanus of bamboe tot op de waterlijn staat. Ga zitten en wacht op het geluid — twee of drie heldere fluittonen met de laatste omhoog — en zoek daarna laag, want de vogel zit zelden boven de drie meter. Kijk ten slotte naar de flank onder de vleugel: is die warm reebruin, dan is het deze soort; is die wit, dan zit je bij de Golf van Carpentaria aan de verkeerde kant van de scheidslijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC) door de omvang van het areaal, maar met een dalende trend, en in het Noordelijk Territorium territoriaal als gevoelig aangemerkt. De oorzaak zit in het leefgebied zelf: oeverbos en moessonbos zijn in Noord-Australië de kwetsbaarste formaties. Vee en waterbuffels vertrappen de oevers, verwilderde varkens woelen ze om, en veranderde brandregimes vreten de randen van de moessonbossen weg. Daar komen verwilderde katten bij, die juist laag broedende en op de grond foeragerende vogels treffen, en de bestrijding van dingo's, die het aantal katten indirect kan verhogen. In een studie naar de gevoeligheid van savannevogels voor klimaatverandering stond deze soort in de tien meest kwetsbare. Hij komt in een flink aantal reservaten voor, van Geikie Gorge en Prince Regent tot Kakadu, Limmen en Boodjamulla.
Wetenschappelijke naam
Poecilodryas cerviniventris | (Gould, 1858)
John Gould beschreef de soort in 1857 naar exemplaren die de arts en natuuronderzoeker Joseph Ravenscroft Elsey in 1856 verzamelde aan de Victoria River, bij het huidige Timber Creek, tijdens de expeditie van Augustus Gregory; de naam wordt doorgaans geciteerd als (Gould, 1858). Gould plaatste hem eerst voorzichtig in Petroica en merkte zelf al op dat er waarschijnlijk een apart geslacht voor nodig zou zijn. Dat werd Poecilodryas, van het Griekse poikilos, 'gevlekt', en dryas, 'bosnimf', naar de witte vlekken op vleugel en staart. Omdat de soort zo in een ander geslacht terechtkwam, staan auteur en jaartal tussen haakjes. cerviniventris komt van het Latijnse cervus, 'hert', en venter, 'buik': reekleurige onderzijde. De Nederlandse naam zet deze soort tegenover de witoorvliegenvanger; in het veld is de reebruine flank het kenmerk waar het werkelijk om draait.



