Alle soorten › Zangvogels › Australische vliegenvangers › Chatham Island-vliegenvanger

Chatham Island-vliegenvanger | Petroica traversi

Black Robin | Petroica de las Chatham

De Chatham Island-vliegenvanger is geheel zwart, vijftien centimeter groot en vertrouwelijk tot op een armlengte. In 1980 leefden er nog vijf, met één vruchtbaar vrouwtje. Alle vogels die vandaag op Rangatira en Mangere rondhippen zijn nakomelingen van dat ene vrouwtje, 'Old Blue'. Geen andere vogelsoort ter wereld is uit zo'n nauwe flessenhals teruggekomen.

Chatham Island-vliegenvanger (Petroica traversi)
Foto: Peter de Lange — CC0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het repertoire is klein. De zang, meestal van het mannetje, bestaat uit vier of vijf heldere noten en mist de rijkdom en melodie van de vliegenvangers (robins) van het vasteland. Beide geslachten laten een eenvoudige, in toonhoogte dalende roep horen, vermoedelijk territoriaal, en een enkele hoge noot bij alarm of agressie. Tijdens het foerageren klinken contactroepjes die op de trillers van de maorivliegenvanger lijken, maar zachter zijn.

Luister: ZangXC537859

Opname: Matt Slaymaker — CC BY-NC-SA 4.0 · Mangere Island, Chatham Islands, New Zealand · xeno-canto

Herkenning

Een kleine, bolle vogel van vijftien centimeter en tweeëntwintig tot vijfentwintig gram, in vorm en formaat tussen de maorivliegenvanger en de vliegenvangers (robins) van de hoofdeilanden in. Beide geslachten zijn op elke leeftijd volledig zwart; alleen jonge vogels hebben een vage lichte streping op de kruin. Staart, poten en snavel zijn iets langer en steviger dan bij de Chatham-ondersoort van de maorivliegenvanger. De vogel oogt kort en rond doordat hij zijn grote kop ingetrokken tegen het lijf houdt. Man en vrouw zijn in het veld niet te onderscheiden; ook gewicht en maat overlappen. Het vliegvermogen is enigszins gereduceerd, en de vogel vliegt vooral in korte, rechte trajecten.

Verwarrings­soorten

Op de Chathameilanden is verwarring vrijwel uitgesloten: dit is de enige geheel zwarte Petroica van de archipel. Hij deelt zijn broed- en foerageergebied met de Chatham-ondersoort van Petroica macrocephala, die kleiner is, een wit vlekje aan de snavelbasis draagt en bij het mannetje wit en geel in het verenkleed heeft. De verwanten van de hoofdeilanden — Petroica australis op het Zuidereiland en Petroica longipes op het Noordereiland — zijn groter, langpotiger en grijs in plaats van zwart, en komen op de Chathams niet voor. De Australische, rood- en roze-borstige Petroica-soorten, van Petroica goodenovii tot Petroica rodinogaster, spelen hier geografisch geen rol. Een uitgevlogen spreeuw is op afstand het meest verwarrende dier op de eilanden, maar die loopt en glanst en heeft een heel ander silhouet.

Leefgebied

Bijna uitsluitend het binnenste van gesloten bos — een gewoonte die uniek is onder de Petroica-soorten van de gematigde zone in Australazië. Hij waagt zich nauwelijks buiten de bosrand en broedt slecht in verspreide of versnipperde begroeiing. Voorkeur gaat uit naar grote, aaneengesloten bospercelen met een gesloten kroondak, een gemengde onderlaag en randen die door dichte beschuttende vegetatie zijn afgeschermd; bos met bomen van uiteenlopende hoogte en leeftijd biedt de meeste nest- en foerageerplekken. Daar is bitter weinig van over: op Mangere resteert ongeveer acht hectare geschikt bos, op Rangatira ongeveer honderdtien. Hij nestelt in boomholtes of in dichte Muehlenbeckia-lianen, meestal binnen twee meter van de grond, en zoekt zijn voedsel in de onderetage en op de bosbodem — hij duikt vanaf een lage tak of keert met de snavel het strooisel om.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Endemisch op de Chathameilanden, en daar nu beperkt tot het zuidelijke uiteinde van het oorspronkelijke areaal. Ooit bewoonde hij de vijf grote beboste eilanden van de archipel: Chatham (90.040 ha), Pitt (6.325 ha), Rangatira ofwel South East Island (218 ha), Mangere (113 ha) en Little Mangere (9 ha). Menselijk toedoen wiste al die oorspronkelijke populaties uit; op het hoofdeiland was hij al vóór 1871 verdwenen. Vandaag zit hij op Rangatira en Mangere, beide beschermde reservaten. Water en open terrein zijn voor hem barrières: natuurlijke uitwisseling tussen de eilanden vindt niet plaats, en het koloniseren van losliggend bos gaat traag. Pogingen om een derde populatie te vestigen in een omheind terrein op Pitt Island zijn tot nu toe mislukt.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Rangatira en Mangere zijn gesloten reservaten waar je niet zomaar komt; dit is geen vogel die je met een verrekijker opzoekt maar een die je, als je er ooit komt, letterlijk over je schoen ziet lopen. De soort is opvallend vertrouwelijk en komt op menselijke aanwezigheid af. Wie de eilanden bezoekt, kijkt in de onderste twee meter van het bos: stil zittend op een lage tak, alleen de kop draaiend, en dan een korte duik naar het strooisel. Het snelste onderscheid met de Chatham-maorivliegenvanger is niet de kleur maar de houding en de zwaardere poten.

Staat van instandhouding

Dit is het belangrijkste natuurbeschermingsverhaal van Nieuw-Zeeland, en waarschijnlijk van de hele vogelwereld. Ingevoerde katten en Polynesische ratten vaagden de oorspronkelijke populaties snel weg; op het hoofdeiland Chatham was de soort al vóór 1871 verdwenen, en één grote populatie ging alleen al door achteruitgang van het bos verloren. Tegen 1976 restte een handvol vogels op Little Mangere, negen hectare groot, waar het bos bezweek. Dat jaar werden de zeven overlevenden overgebracht naar Mangere Island. In 1980 waren er nog vijf over, met slechts één vruchtbaar vrouwtje: 'Old Blue', die meer dan veertien jaar oud werd, een veelvoud van de gemiddelde levensduur van ruim vier jaar. Don Merton en zijn team van de New Zealand Wildlife Service verhoogden haar jaarlijkse productie door het eerste legsel weg te nemen en in het nest van de Chatham-ondersoort van de maorivliegenvanger te leggen — cross-fostering. De pleegouders brachten het eerste broedsel groot, en het oorspronkelijke paar legde opnieuw en bracht ook dat tweede broedsel groot. Tegelijk toonde de operatie hoe een ingreep kan doorschieten: veel vrouwtjes legden hun eieren op de rand van het nest, waar ze het zonder hulp niet haalden. Door die eieren terug te leggen verspreidde het onderliggende, schadelijke gen zich tot bij meer dan de helft van de vrouwtjes. Toen de mens daarmee stopte, nam het randleggen weer af, al deed in 2011 nog negen procent van de vogels het. Vandaag zijn er ongeveer driehonderd vogels; in oktober 2020 telde Rangatira ten minste 264 vogels, stabiel tot licht toenemend, terwijl Mangere op 34 vogels stond en afnam, reden voor extra monitoring. De soort blijft kwetsbaar op een manier die met aantallen alleen niet is op te lossen. Alle vogels stammen af van Old Blue; de graad van verwantschap binnen de populaties behoort tot de hoogste die ooit bij een wilde vogelsoort is gemeten, en inteeltdepressie uit zich in een lage reproductie. Daar komt bij dat de reproductie van nature al de laagste is van alle bekende Australazische Petroica-soorten: kleine legsels, een lange broedcyclus en een door het klimaat ingekorte broedtijd. Predatie van nesten door ingevoerde spreeuwen is op Rangatira de meest voorkomende oorzaak van broedverlies, met bijna eenentwintig procent van de mislukte nesten; muizen vormen een bijkomende zorg. Op de IUCN-lijst staat de soort nu als kwetsbaar (VU), na eerdere status als bedreigd en daarvoor ernstig bedreigd — een van de weinige opwaarderingen in de Rode Lijst die op werkelijk herstel berusten. Op de Nieuw-Zeelandse lijst geldt zij nog altijd als nationaal kritiek (Nationally Critical). Het beheer rust op drie pijlers: de kleine populaties vrij houden van roofdieren, ziekten en verder habitatverlies, de genetische gezondheid bewaken door de aantallen te laten groeien, en het risico spreiden door vogels naar nieuw geschikt bos binnen de Chathams over te brengen.

Wetenschappelijke naam

Petroica traversi | (Buller, 1872)

Walter Buller beschreef de soort in 1872 als Miro traversi; omdat ze nu in Petroica staat, staan auteur en jaartal tussen haakjes. De eerste wetenschappelijke vermelding kwam een jaar eerder, toen William Travers in de Wellington Philosophical Society verslag deed van de vondsten van zijn zoon Henry H. Travers (1844–1928), die de Chathameilanden had bezocht; de soortnaam traversi eert hem. Het geslacht Petroica werd in 1830 door Swainson ingevoerd, naar het Griekse petros, 'rots', en oikos, 'huis'. Lang stond de vogel als Miro traversi te boek. In het Moriori heet hij karure, in het Maori kakaruia; in het Engels Black Robin of Chatham Island Robin. De Nederlandse naam verwijst naar de eilandengroep waar hij thuishoort.