Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Bankivahoen

Bankivahoen | Gallus gallus

Red Junglefowl | Gallina silvestre

Het bankivahoen is de wilde voorouder van de huiskip, en in dit gidsgebied gaat het niet om kippen op een erf maar om verwilderde populaties die zich volledig zelf bedruipen: op Norfolkeiland lopen ze overal, ook diep in het bos. Een haan is een slanke, hoogbenige vogel met goudgele halsveren, een donkergroen glanzende staart met lange sikkelvormige pennen en een rode kam; de hen is klein, effen bruin en onopvallend.

Bankivahoen (Gallus gallus)
Foto: Rudraksha Chodankar — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De haan kraait het jaar rond en het felst in de uren voor en na zonsopgang: een hoog, schel kukeleku dat korter is dan dat van de meeste boerderijhanen en aan het eind abrupt wordt afgekapt in plaats van uit te klinken. Daarnaast een laag, keelachtig tok-tok-tok als contactgeluid, een snel en schel alarmgekakel wanneer een kat of een havik nadert, en het zachte gekloek van een hen met kuikens. In het bos verraadt het scharrelen in het bladstrooisel hem vaak eerder dan het geluid.

Luister: ZangXC1153675

Opname: Aku Kalliomäki — CC BY-NC-SA 4.0 · Virrat, Finland · xeno-canto

Herkenning

De haan haalt met staart en al ongeveer zeventig centimeter en weegt anderhalve kilo: nek en zadel dragen lange, spitse, goudoranje tot rossige veren, borst, buik en staart zijn zwart met een blauwgroene metaalglans, en de twee middelste staartpennen groeien uit tot sikkels van bijna dertig centimeter. Kam en lellen zijn rood, bij wilde vogels met een wit oorvlekje; de poten zijn leigrijs. De hen is met veertig tot vijfenveertig centimeter veel kleiner, dof roodbruin met fijne tekening, met een kleine kam en een korte staart. Op Norfolk loopt het kleed door de eeuwenlange menging met tamme kippen sterk uiteen, van egaal zwart, wit of roodbruin tot fel metaalgroen gemanteld en gespikkeld. Van juni tot oktober dragen echte bankivahanen een ruikleed waarbij de goudgele halsveren tijdelijk door zwarte worden vervangen.

Verwarrings­soorten

In het gidsgebied is er geen wilde vogel waarmee hij te verwarren is; de vraag is altijd of een vogel een verwilderd bankivahoen is of een losgelopen boerderijkip. Let op de bouw en het gewicht — een wildtype-haan blijft rond anderhalve kilo, waar veel kippenrassen drie tot vijf kilo halen — op de leigrijze in plaats van gele of vleeskleurige poten, op het witte oorvlekje, en vooral op het ruikleed in de zuidelijke winter, dat geen enkel kippenras vertoont. De andere verwilderde hoenders van het gebied zijn onmiskenbaar anders: het helmparelhoen (Numida meleagris) is grijs met witte stippen en draagt een hoornen helm, de blauwe pauw (Pavo cristatus) spreekt voor zich, en de Californische kuifkwartel (Callipepla californica), die op Norfolk hetzelfde land deelt, is een kwartel van vijfentwintig centimeter met een zwart pluimpje.

Leefgebied

Verwilderde vogels houden het bij mensen in de buurt en tegelijk ver daarbuiten: tuinen, erven, wegbermen, parkjes en het dorp zelf, maar evengoed weiland, akkerranden en de bosbodem van het subtropische regenwoud, waar ze het strooisel omwoelen. Ze slapen laag in bomen en dichte struiken en hebben dekking nodig om in te vluchten. Open, kale en droge vlakten mijden ze; vocht, schaduw en voedsel rond bebouwing houden de stand hoog.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Binnen dit gidsgebied is Norfolkeiland de plek: daar is de verwilderde kip overal algemeen, van Kingston en de dorpskern tot midden in het nationale park. In de Australische buitengebieden van de Indische Oceaan — Christmaseiland en de Cocoseilanden — is hij een schaarse tot vrij schaarse standvogel; op Christmaseiland tonen de wilde vogels nog kenmerken van echt bankivabloed, terwijl op beide eilandgroepen ook tamme slagen rondlopen. Op het Australische vasteland en in Nieuw-Zeeland heeft de soort zich niet als wilde vogel gevestigd. Het oorspronkelijke Aziatische areaal ligt ver buiten de kaart en blijft hier buiten beschouwing.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

Op Norfolk hoef je er niet naar te zoeken: loop bij het eerste licht een bospad in het nationale park op en volg het gekraai en het geritsel in het strooisel. Wil je beoordelen hoe 'wild' een vogel is, kijk dan naar de poten en het oorvlekje en tel mee met de kraai — kort en abrupt afgebroken wijst richting bankivabloed. In de zuidelijke winter is het ruikleed met de zwarte halsveren de betrouwbaarste aanwijzing, en dat is meteen het moment waarop mensen de vogel niet herkennen.

Staat van instandhouding

De soort zelf is wereldwijd niet bedreigd (LC) en in dit gebied gaat het om een exoot, zodat de vraag hier omgekeerd ligt: niet hoe je hem beschermt, maar wat hij aanricht. Op Norfolkeiland belemmeren de verwilderde kippen door hun onophoudelijke scharrelen de verjonging van inheemse planten en vormen ze een bedreiging voor de ernstig bedreigde landslakken van het eiland; het nationale park probeert de aantallen al jaren terug te dringen, tot nu toe zonder blijvend resultaat. Daarnaast vormen verwilderde kippen een reservoir voor ziekten die op inheemse vogels kunnen overslaan.

Wetenschappelijke naam

Gallus gallus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Phasianus gallus; door de verplaatsing naar het geslacht Gallus, dat Brisson in 1760 invoerde, staan auteur en jaartal tussen haakjes. gallus is eenvoudig het Latijnse woord voor haan. De typelocatie stond oorspronkelijk als 'India orientali, Pouli condor' opgegeven en is later beperkt tot het eiland Pulo Condor voor de monding van de Mekong, in het zuiden van Vietnam. De Nederlandse naam bankivahoen gaat terug op de ondersoort bankiva van Java en Bali, waarvan de naam is ontleend aan het Javaanse woord voor de vogel.