Alle soorten › Hoenderachtigen › Fazantachtigen › Stoppelveldkwartel

Stoppelveldkwartel | Coturnix pectoralis

Stubble Quail | Codorniz pectoral

De stoppelveldkwartel is de kwartel van het open land: graanstoppels, tarwevelden en droog grasland in het zuiden van Australië. Hij is bleker en scherper gestreept dan de andere kwartels van het gebied en vliegt, als hij eenmaal opgejaagd is, met luid snorrende vleugels hoog en ver weg. Zijn aantallen schommelen met de regen: na natte jaren is hij overal, na droge jaren nergens.

Stoppelveldkwartel (Coturnix pectoralis)
Foto: Dominic Sherony — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De bekendste roep is een helder, doordringend driedelig tjoe-tjoe-wiep, met de nadruk op de opgetrokken laatste noot, uren achtereen herhaald vanaf de grond in maanverlichte nachten en bij het eerste en laatste licht. Daarnaast klinkt een korter, tweedelig toe-wiep. Wordt hij opgejaagd, dan hoor je een reeks scherpe piepjes en vooral het luide, harde gesnor van de vleugels — een geluid dat menigeen eerder schrikt dan de vogel zelf.

Luister: RoepXC683895

Opname: Eddy Smith — CC BY-NC-SA 4.0 · Pengilly Scrub (Mudla Wirra Reserve) (near Wasleys), Light Regional Council, South Australia, Australia · xeno-canto

Herkenning

Een gedrongen kwartel van zestien tot twintig centimeter en ruim honderd gram, van boven grijsbruin met brede, roomkleurige lengtestrepen over elke veer, waardoor de rug scherp gestreept oogt. De onderzijde is roomwit met zwarte streepjes op borst en flanken, en over het oog loopt een duidelijke bleke wenkbrauwstreep. Het mannetje heeft een oranjebruine tot roestkleurige wang en keel met een donkere vlek eronder; bij het vrouwtje is dat gebied roomkleurig en gespikkeld, en zij is bovendien de grootste van de twee. De snavel is donkergrijs, de poten bleekroze. In de vlucht zijn de vleugels langer en spitser dan bij de andere kwartels en oogt de vogel opvallend bleek.

Verwarrings­soorten

De bruine kwartel (Synoicus ypsilophorus) is de eerste die je moet uitsluiten: donkerder en egaler, zonder de roomkleurige lengtestrepen en zonder wenkbrauwstreep, met oranjegele in plaats van bleekroze poten, en hij vliegt laag en kort om zich meteen weer te laten vallen. Bovendien zit hij in vochtiger, dichter gras, terwijl de stoppelveldkwartel juist het droge, open gewas kiest. De Chinese dwergkwartel (Synoicus chinensis) is veel kleiner, donkerder en zonder streping, met een gebandeerde buik. De kleine vechtkwartel (Turnix velox) deelt het droge grasland maar is kleiner, zandkleuriger, heeft een wit oog en een opvallende witte flankstreep, en mist de achterteen. De gekweekte Japanse kwartel (Coturnix japonica) is de lastigste: ontsnapte volièrevogels zijn even gestreept, maar hebben doorgaans een donkere ankervormige keelvlek en ogen forser en logger; één losse 'stoppelveldkwartel' in een tuin of bij een boerderij is vaker een ontsnapte Japanse kwartel dan een wilde vogel.

Leefgebied

Open, kruidig grasland en akkerland met voldoende hoogte om in te verdwijnen: tarwe- en gerstestoppels, luzerne, braakland, inheems tussockgrasland (grasland van losse, hoge polvormende grassen, vooral in Nieuw-Zeeland) en Mitchellgrasland en saltbushvlakten (zoutminnend dwergstruweel van zoute vlakten). Hij heeft geen struiken of bomen nodig, maar wel een dichte, staande vegetatielaag; kortgemaaid of zwaar begraasd land laat hij links liggen. Na goede regens dringt hij ver het droge binnenland in, tot in het spinifexland (stekelig, pollenvormend woestijngras van het binnenland) en tot in alpiene kruidenvelden toe.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar hoofdgroep en formatie.

Verspreiding en trek

Het vasteland van Australië, met het zwaartepunt in het zuidoosten — Victoria, Nieuw-Zuid-Wales, zuidelijk Queensland en Zuid-Australië — en in de graanstreek van het zuidwesten van West-Australië. In het Noordelijk Territorium en het grootste deel van West-Australië is hij schaars en alleen na regen aanwezig. Op Tasmanië is hij tussen de jaren veertig en zestig van de twintigste eeuw verdwenen. Naar Nieuw-Zeeland komt hij niet: de kwartel die daar leefde was de inmiddels uitgestorven en nauw verwante Nieuw-Zeelandse kwartel.

  • Jaarrond
  • Broedvogel (zomer)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
De kaart is een dichtheidsveld en geen ingetekende arealgrens: hij is opgebouwd uit de waarnemingen zelf en houdt zich daarom niet aan staatsgrenzen. De seizoenskleur komt uit de indeling per staat, de kleurdiepte uit de telling van GBIF (2006-2026), geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Waar en wanneer kijken

De vogel is bijna nooit te zien en bijna altijd te horen: ga in het voorjaar bij volle maan aan de rand van een graanakker of een stuk tussockgrasland staan en wacht op het driedelige tjoe-tjoe-wiep, dat urenlang doorgaat. Wil je hem zien, loop dan in de oogsttijd langzaam door de stoppel en blijf bij elk opvliegend vogeltje staan om de bleke bovenzijde met de romige strepen te vangen; hij vliegt ver genoeg weg om die tekening rustig te bekijken. Let ook op het voetspoor en de kuiltjes in de stofberm langs akkerwegen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC) en landelijk veilig, met een stand die sterk meebeweegt met de regenval en met de graanbouw — stoppelvelden zijn voor deze soort eerder winst dan verlies geweest. Hij is de enige inheemse hoendervogel van Australië waarop nog legaal gejaagd mag worden, onder strikte seizoenen en dagquota. Regionaal staat het er minder goed voor: in Tasmanië is hij uitgestorven en in het Noordelijk Territorium en West-Australië geldt hij als zeldzaam. Het omzetten van inheems grasland in kortgegraasde weide en het te vaak afbranden van ruigte zijn de voornaamste knelpunten.

Wetenschappelijke naam

Coturnix pectoralis | Gould, 1837

Gould beschreef de soort in 1837 in zijn Synopsis of the Birds of Australia en plaatste haar meteen in Coturnix, waar ze nog steeds staat; auteur en jaartal blijven daarom zonder haakjes. coturnix is eenvoudig het Latijnse woord voor kwartel; Garsault voerde het als geslachtsnaam in 1764 in. Het epitheton pectoralis betekent 'van de borst', naar de zwarte streping op borst en flanken. De typelocatie is Nieuw-Zuid-Wales.