Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Turkse zandmuis

Turkse zandmuis | Meriones tristrami

Tristram's Jird | Meriones tristrami

De Turkse zandmuis (Meriones tristrami) is de noordelijkst voorkomende zandmuis van het gidsgebied; het areaal loopt van Anatolië tot de Kaukasus en de Jordaanvallei. De soort is geen woestijnbewoner: het areaal eindigt waar minder dan honderd millimeter regen per jaar valt. Zij leeft in droge steppe, graanland en aan dorpsranden. In Turkije is zij het algemeenste knaagdier van de open hoogvlakte.

Turkse zandmuis (Meriones tristrami)
Foto: Yedidya Popper — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

Het hol is het belangrijkste spoor, en het verandert met het seizoen, wat voor een zandmuis ongebruikelijk is. In Turkije zijn de winterholen ondiep, met één of twee ingangen en een verwijde nestkamer op dertig tot veertig centimeter diepte, terwijl de zomerholen vier tot vijf ingangen hebben en tot zeventig centimeter diep reiken. De ingangen liggen bij voorkeur in de flank van een heuveltje of akkerwal, waar de bodem zacht en goed doorlatend is; rotsgrond wordt gemeden. Vóór de openingen liggen verse aardhopen en tussen de openingen lopen gladgesleten paadjes. Het nest is ongeveer twintig centimeter breed en bestaat uit plantenmateriaal en opvallend vaak ook uit versnipperd papier of ander afval uit de omgeving van dorpen; een nest met stukjes krant is vrijwel zeker van deze soort. Op sommige plaatsen legt de soort een grote wintervoorraad aan, met meldingen tot vijf kilo per nest; in ander onderzoek is dat niet gevonden, zodat het geen vast kenmerk is. Bovengronds liggen bij de ingangen afgeknipte halmen en bladstukjes, zwarte spoelvormige keutels van drie tot vijf millimeter in hoopjes, en in stoffige akkerranden duidelijke prenten met vier tenen voor en vijf achter. In braakballen van kerkuil en ransuil is de soort in Anatolië en de Levant een van de algemeenste prooien.

In zijn leefgebied

Turkse zandmuis, rechtop bij de holingang in bloeiende voorjaarssteppe bij bismil, zuidoost-turkije; rechts is de uitgegraven aardhoop te zien — dit is het lage steppeland met zachte bodem waaraan de soort gebonden is
Rechtop bij de holingang in bloeiende voorjaarssteppe bij Bismil, Zuidoost-Turkije; rechts is de uitgegraven aardhoop te zien — dit is het lage steppeland met zachte bodem waaraan de soort gebonden is · Foto: Dûrzan cîrano — CC0 · Wikimedia Commons

De kop van dichtbij

Turkse zandmuis, kop in de holingang onder een steen, bij diyarbakır, zuidoost-turkije; de warm roodbruine vorm van het zuidoosten van anatolië, met grote donkere ogen, lichte oogring en grote, dun behaarde oren
Kop in de holingang onder een steen, bij Diyarbakır, Zuidoost-Turkije; de warm roodbruine vorm van het zuidoosten van Anatolië, met grote donkere ogen, lichte oogring en grote, dun behaarde oren · Foto: Dûrzan cîrano — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een middelgrote tot grote zandmuis: kop-romp 10,6 tot 17,1 centimeter, gewicht 42 tot 130 gram; mannetjes zijn duidelijk groter dan vrouwtjes. De rug varieert van bleek grijsgeel tot dof roodbruin, waarbij de dieren van Zuidoost-Turkije warm rossig zijn; de buik is wit. Het beste kenmerk is de staart: die is vrij kort, 77 tot 125 procent van de kop-romplengte, en eindigt in een slecht ontwikkeld kwastje van donkerdere haren dat op afstand nauwelijks zichtbaar is. De zolen van de achtervoeten zijn behaard, behalve het voorste deel. De oren zijn groot voor een zandmuis (17 tot 23 mm), de achtervoet meet 29 tot 40 millimeter. De gehoorblazen zijn niet sterk vergroot, ongeveer een derde van de schedellengte; dat onderscheidt de soort van de echte woestijnsoorten en is aan een schedel uit een braakbal direct te zien.

Gelijkende soorten

Binnen het areaal is dit vrijwel de enige zandmuis; verwarring is eerder mogelijk met soorten uit andere families. De Libische zandmuis (Meriones libycus) en de Perzische zandmuis (Meriones persicus) grenzen in Oost-Anatolië en Noord-Irak aan het areaal; beide hebben een langere staart met een duidelijk ontwikkelde donkere pluim, en de Perzische zandmuis leeft op rotsige hellingen, die deze soort mijdt. Een grote bosmuis (Apodemus) heeft grotere oren en ogen, een naakte, geschubde staart zonder pluim en beweegt zich springend voort; deze soort loopt. Een bruine rat is zwaarder, donkerder en heeft een kale staart. Een hamster heeft een stompe, zeer korte staart, een gedrongen lichaam en een zwart getekende buik. M. tristrami werd lang als vorm van de Noord-Afrikaanse Shaws woestijnmuis beschouwd en wordt pas sinds de jaren zeventig en tachtig algemeen als aparte soort erkend; de arealen raken elkaar nergens, zodat dit in het veld geen rol speelt.

Leefgebied

Laaggelegen steppe met meer dan honderd millimeter neerslag per jaar; dat is de grens van het areaal. Binnen die grens is de soort weinig kieskeurig: droge graslanden, graanakkers en braakstroken, garrigue en phrygana, moestuinen en boomgaarden, en erven en aardwallen aan dorpsranden. Zij is gebonden aan een zachte, goed doorlatende bodem om in te graven; rotsige hellingen worden gemeden. Het is een laaglandsoort, maar zij komt ook op grotere hoogte voor: er zijn waarnemingen tot 1350 meter in Turkije, 1550 meter in Libanon, 1600 meter in Israël en 2000 meter in Azerbeidzjan.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Anatolië, Syrië, Libanon, Israël en Palestina, West-Jordanië, Noord-Irak, Zuid-Georgië, Armenië, Azerbeidzjan en Noordwest-Iran. De soort is monotypisch, al is binnen Turkije een aanzienlijke geografische variatie in bouw en chromosomen gevonden; die variatie rechtvaardigt regionaal beschreven vormen, maar een splitsing van de soort is niet onderbouwd zolang het onderzoek niet is afgerond.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nacht- en schemeractief en volledig aan de grond gebonden. De voortplanting loopt het hele jaar door, met een duidelijke piek van maart tot september; de draagtijd is 25 tot 29 dagen en een worp telt één tot acht jongen, gemiddeld iets minder dan vier, met kleinere worpen in het zuiden van het areaal. De jongen worden naakt en blind geboren en zijn na drie weken gespeend. Het voedsel bestaat uit zaden, graankorrels, bladeren en stengels. De dichtheid schommelt sterk per seizoen en per jaar, van anderhalf tot twee dieren per hectare tot vijfenveertig, een verschil van meer dan een factor twintig; daardoor wordt de soort in Turkije in sommige jaren nauwelijks en in andere jaren overal waargenomen. Er is geen winterslaap: de dieren zijn het hele jaar actief en betrekken in de winter alleen een ander type hol.

Waar en wanneer kijken

In Zuidoost-Anatolië is de soort in het voorjaar het gemakkelijkst te vinden: loop in mei langs de akkerranden en wallen van de vlakten rond Diyarbakır of Şanlıurfa en zoek naar holletjes met verse aarde in de flank van een heuveltje; in het laatste avondlicht zitten de dieren rechtop naast de ingang. In Israël en Libanon werkt dezelfde methode in graanvelden en op braakstroken in de heuvels. Gebruik een rode lamp en kies een windstille avond. Omdat de dichtheid sterk wisselt, bezoek je een gebied dat in het ene jaar leeg leek, het volgende jaar het best opnieuw. Braakballen onder roestplaatsen van kerkuilen in Anatolië geven daarnaast een goed beeld van de aanwezige soorten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2021) en in het hele areaal vrij algemeen. De soort profiteert van extensieve akkerbouw en van dorpsranden; zolang er graanland met een zachte bodem is, is zij niet bedreigd. Waar zij plaatselijk in hoge dichtheden voorkomt, wordt zij als schadelijk voor gewassen en opslag beschouwd en bestreden, maar een bedreiging voor de soort is nergens vastgesteld. De belangrijkste onzekerheid is taxonomisch: de geografische variatie binnen Turkije is aanzienlijk, en zolang de herziening niet is afgerond, is onbekend of het om één wijdverbreide soort gaat of om een reeks vormen die elk een eigen beoordeling vereisen.

Wetenschappelijke naam

Meriones tristrami | O. Thomas, 1892

O. Thomas beschreef de soort in 1892 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Meriones is de naam van Meriones, de Kretenzische held uit de Ilias; die naam hoort zelf bij het Griekse mēros 'dij'. Waarom Illiger hem aan een renmuis gaf zegt hij niet. tristrami eert de Engelse geestelijke en natuuronderzoeker Henry Baker Tristram (1822–1906), de schrijver van The Fauna and Flora of Palestine. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Israël.