Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Psammomys obesus
Psammomys obesus | Psammomys obesus
Fat sand rat | Psammomys obesus
De vetzandrat is een grote renmuisachtige van zoutvlakten in Noord-Afrika en het Midden-Oosten. Anders dan de meeste renmuisachtigen is hij overwegend overdag actief en zit hij vaak zonnend op de zandhoop voor zijn hol, met een afgebeten tak van een zoutplant in de voorpoten. Hij eet uitsluitend de sappige stengels en bladeren van ganzenvoetachtigen, planten die voor ongeveer negentig procent uit zout water bestaan, en haalt daaruit al zijn vocht. Door dit dieet is hij een veelgebruikt proefdier in diabetesonderzoek: op woestijnplanten blijft hij mager, op gewoon knaagdiervoer wordt hij dik en ontwikkelt hij diabetes.
Sporen
De sporen liggen geconcentreerd rond de kolonie en zijn talrijk. Het holstelsel is een kolonie: een netwerk met veel ingangen, gegraven onder de zoutstruiken, tot een meter diep en met gangen op meerdere niveaus, verbonden met nest- en voorraadkamers. Voor elke ingang ligt een verse zandwaaier; de bodem van de nestkamers is bedekt met een dikke laag plantenmateriaal. Aan de oppervlakte liggen rond de ingangen afgebeten, sappige stengels van ganzenvoetachtigen — takjes van Arthrocnemum, Halocnemum, Salsola of zoutmelde — soms als verse groene hoopjes, soms als een laag verdorde, afgeknaagde resten. De struiken rond de holingangen zijn kaalgevreten tot op de takken, zodat een bewoonde kolonie van veraf te zien is als een kring van aangevreten struiken in een verder gesloten zoutvegetatie. Het dier draagt zijn voedsel over 10 tot 30 meter naar het hol, zodat er gladgesleten looppaadjes van struik naar ingang lopen. De keutels zijn groot voor een renmuisachtige, zwart en spoelvormig, 4 tot 6 mm, en liggen in hoopjes bij de ingangen; hij markeert zijn terrein met urine en uitwerpselen. In vochtige sebkhaklei zijn prenten scherp: vier tenen voor, vijf achter, met donkere, forse nagelindrukken. Hij maakt hoorbare en ultrasone piepgeluiden en trommelt met de achtervoeten.

In zijn leefgebied

De kop van dichtbij

Herkenning
Een grote, zware, gedrongen renmuisachtige van 82 tot 237 gram, met een lange, okerkleurige tot taanbruine vacht, lichtere flanken en een bleek okerkleurige buik in plaats van de zuiver witte buik van de zandmuizen. De staart is kort, ongeveer 70 procent van de kop-romplengte, en eindigt in een zwart pluimpje. De oren zijn klein (13 tot 17 mm) en de snuit is stomp en breed; achter elk oor staat een klein wit vlekje. De klauwen zijn donker; dat is het duidelijkste verschil met alle zandmuizen, die witte of ivoorkleurige nagels hebben. De zolen van de achtervoeten zijn deels behaard; de achtervoet meet 32 tot 36 mm. De bovensnijtanden zijn ongegroefd, de schedel is massief. Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes. Een bol, kortstaartig dier dat overdag rechtop op een zandhoop zit, is in Noord-Afrika en de Levant vrijwel zeker deze soort.
Gelijkende soorten
Het activiteitspatroon onderscheidt hem al: hij is overdag actief, terwijl zandmuizen en renmuizen 's nachts actief zijn. Sundevalls zandmuis (Meriones crassus) is slanker, grijzer, heeft een veel langere staart (zo lang als kop en romp), ivoorwitte klauwen en een lichte staartbasis. Shawwoestijnmuis (Meriones shawii) heeft eveneens een langere staart en witte klauwen, en leeft in graanakkers in plaats van op zoutvlakten. Buxtons zandmuis (Meriones sacramenti) is in Israël de andere zware renmuisachtige, maar is nachtactief, roodachtig zandkleurig en heeft een staart zo lang als het lichaam met een zwarte pluim. De dunne zandrat (Psammomys vexillaris), die in Tunesië en Libië naast hem voorkomt, is kleiner en tengerder. Een bruine rat heeft een kale, geschubde staart, grote naakte oren en een spitse snuit, en zit niet op zoutplanten. In Noord-Afrika kan een Barbarijse grondeekhoorn op afstand op hem lijken, maar die is gestreept, heeft een borsteliger staart en leeft tussen rotsen.
Leefgebied
Zouthoudende steppe — de daya's, die na regen onderlopen, en de sebkha's, zoutvlakten met een vaste, modderige, zilte zandbodem — waar de sappige ganzenvoetachtigen groeien waarvan hij volledig afhankelijk is. De bodem op zijn vindplaatsen heeft een zoutgehalte van 9 tot 30 gram per liter. Waar die struiken ontbreken, ontbreekt ook hij. Er zijn uitzonderingen: in Jordanië zijn kolonies in rotsig terrein gevonden, en op de Sinaï leeft hij op lage zandheuveltjes rond Anabasis-struiken.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Marokko, de Westelijke Sahara en Mauritanië oostwaarts door Noord-Afrika tot Egypte, en verder via de Sinaï naar Israël, Palestina, Syrië en Jordanië en zuidwaarts tot in het midden van het Arabisch Schiereiland; daarnaast een populatie in Noordoost-Soedan. Binnen het gidsgebied omvat dat de zoutvlaktegordel van de Maghreb en Egypte en de woestijnrand van Israël en Jordanië. De verspreiding volgt niet de woestijn als geheel maar de zoutvlakten: de vindplaatsen liggen op sebkha's en daya's, en de tussenliggende zandzeeën zijn onbewoond.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Hij is zowel overdag als 's nachts actief, met de nadruk op de dag: in de winter ligt de piek tussen negen uur 's ochtends en vijf uur 's middags, in de zomer beperkt de activiteit zich tot de vroege ochtend en de late middag. Vroeg op de dag zonnebaadt hij vaak voor het hol. Hij leeft in kolonies waarin vrouwtjes een kleiner gebied gebruiken dan mannetjes — gemiddeld ongeveer 76 tegen 160 meter — en het gebied van één mannetje overlapt met dat van meerdere vrouwtjes; de dieren leven toch vrij solitair, en volwassen mannetjes zijn agressief tegenover jonge mannetjes. Het voedsel bestaat uitsluitend uit bladeren en stengels van ganzenvoetachtigen: Arthrocnemum, zoutmelde, Halocnemum, Salsola en Suaeda. Die planten bestaan voor ongeveer negentig procent uit water; nieren en darm zijn aangepast aan de verwerking van het zoute water en het oxaalzuur. In oktober, vóór het regenseizoen, eet hij ook zaden, in de winter — vooral in februari — vruchten. In de hete tijd houdt hij een zomerrust, waarin het waterhergebruik afneemt. De draagtijd is 24 dagen; een worp telt twee tot acht jongen; de gemiddelde worpgrootte wisselt met het seizoen, van drie tot zes in september tot zes in de winter (januari tot maart). De jongen wegen bij de geboorte 6 tot 7 gram, worden na 15 dagen gespeend, zijn na 120 dagen volgroeid en na drie tot zes maanden geslachtsrijp; de vruchtbaarheid van de vrouwtjes hangt af van de regen, die de voortplanting tot een maand kan uitstellen. Hij houdt geen winterslaap.
Waar en wanneer kijken
De soort is overdag en zonder lamp waar te nemen. Zoek een sebkha of daya met zeekraalachtige struiken, rijd of loop langs de rand en let op kringen kaalgevreten struiken met zandhopen ertussen. In de winter is elk uur tussen negen en vijf geschikt, in de zomer alleen het eerste en het laatste uur van de dag. Ga op twintig meter afstand zitten en wacht: de dieren keren over hun looppaadjes terug en gaan op de zandhoop zitten eten, met de tak rechtop in de voorpoten. Bekende plekken zijn de zoutvlakten van Zuid-Tunesië, de chotts van Algerije en de omgeving van Sde Boker en de Arava in Israël. Een verrekijker volstaat; beweeg met een telelens langzaam, omdat de dieren op een open vlakte elke beweging opmerken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016). Plaatselijk kan hij met tot 42 dieren per hectare zeer talrijk zijn, maar de aantallen schommelen sterk met het weer: in het ene jaar kan een vlakte dicht bevolkt zijn en in het volgende vrijwel leeg. Hij geldt op twee manieren als schadelijk. Hij slaat grote hoeveelheden gerst in zijn holen op en eet van gewassen, en hij is samen met Shawwoestijnmuis een van de belangrijkste reservoirgastheren van Leishmania major, de parasiet die de woestijnvorm van huidleishmaniasis veroorzaakt; natuurlijke besmettingen zijn in Libië, Algerije en Tunesië vastgesteld. In Noord-Afrika is hij daardoor vaker onderwerp van bestrijdingsprogramma's dan van bescherming. Omdat hij op gewoon knaagdiervoer diabetes ontwikkelt, wordt hij daarnaast veel als laboratoriumdier gebruikt.
Wetenschappelijke naam
Psammomys obesus | Cretzschmar, 1828
Cretzschmar beschreef de soort in 1828 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Psammomys is Grieks, van psammos 'zand' en mys 'muis': de zandmuis. obesus is Latijn voor 'vet, gezet', naar de gedrongen bouw van het dier. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte, Alexandria.



