Alle soorten › Knaagdieren › Muizen en ratten › Shawwoestijnmuis

Shawwoestijnmuis | Meriones shawii

Meriones shawi | Meriones shawi

De Shawwoestijnmuis is een grote zandmuis van het Noord-Afrikaanse graanland. De soort leeft niet in de open woestijn maar in de overgangszone van steppe naar akkerland, en bereikt daar dichtheden waardoor ze in Algerije als landbouwplaag geldt. Daarnaast is ze een van de twee belangrijkste reservoirgastheren van de woestijnvorm van huidleishmaniase, en daarmee onderwerp van landbouwkundig, medisch en zoogdierkundig onderzoek.

Shawwoestijnmuis (Meriones shawii)
Foto: Mourad Harzallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Sporen

De soort maakt grote, goed zichtbare holstelsels. Ze graaft in zachte bodem, zoals graanakkers, tuingrond en wallen tussen percelen, een netwerk met veel ingangen. Omdat ze in kolonies leeft, beslaat zo'n stelsel vele vierkante meters, met tientallen openingen, verse zandhopen ervoor en uitgesleten paadjes van enkele centimeters breed tussen de ingangen en naar het gewas. Het duidelijkste spoor is de voorraad: in de holkamers ligt graan opgeslagen, en bij het ploegen van een aangetaste akker komen die kamers boven; schone, gedorste korrels in een gang wijzen op deze soort. Bij de ingangen liggen afgeknipte halmen, lege aren en kaf en in de zomer resten van insecten. De keutels zijn zwart, spoelvormig, vier tot zes millimeter lang, en liggen in hoopjes bij de openingen. Prenten zijn in stoffige akkergrond goed te vinden: vier tenen voor, vijf achter, ongeveer twee centimeter lang, en bij rustig lopen een sleepspoor van de staart. Net als bij andere zandmuizen hoort voetgetrommel bij het alarmgedrag, samen met korte roepjes.

De kop van dichtbij

Shawwoestijnmuis, kop van dichtbij onder de overhangende rand van een holingang, algerije; de brede, stompe snuit, de lichte oogring en de middelgrote, dun behaarde oren zijn goed te zien — bij deze foto berust de determinatie op de fotograaf, die dezelfde soort ook elders in algerije heeft gefotografeerd
Kop van dichtbij onder de overhangende rand van een holingang, Algerije; de brede, stompe snuit, de lichte oogring en de middelgrote, dun behaarde oren zijn goed te zien — bij deze foto berust de determinatie op de fotograaf, die dezelfde soort ook elders in Algerije heeft gefotografeerd · Foto: Mourad Hazallah — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Een grote, stevige zandmuis met een warm taanbruine rug en een witte buik; aan de kleur is de soort te onderscheiden van de grijze woestijnsoorten. De kop-romp meet 12,5 tot 18 centimeter, de staart is iets korter dan de kop-romp (ongeveer 95 procent) en eindigt in een klein kwastje zwarte haren, veel kleiner dan de pluim van de Libische zandmuis. De zolen van de achtervoeten zijn gedeeltelijk behaard en de klauwen zijn wit. De oren meten 14 tot 22 millimeter, de achtervoet 31 tot 37. Het gewicht varieert van 70 tot 180 gram. Vrouwtjes hebben vier paar tepels. In het veld is het dier fors, roodachtig en kortstaartig, in tegenstelling tot de bleke, langstaartige zandmuizen van de open woestijn.

Gelijkende soorten

In het cultuurland van de Maghreb is de soort meestal de enige grote zandmuis; aan de zuidrand komen er twee andere voor. Sundevalls zandmuis (Meriones crassus) is kleiner en lichter (55 tot 158 gram), grijs in plaats van taanbruin, heeft ivoorwitte klauwen en een lichte staartbasis met een donkere pluim, en leeft in open woestijn en hamada in plaats van in akkers. De Libische zandmuis (Meriones libycus) heeft een veel zwaardere, donkere staartkwast. De vetzandrat (Psammomys obesus) is dagactief, heeft een kortere staart en donkerder klauwen, en leeft tussen de zoutplanten van de sebkha in plaats van in graanakkers. Een zwarte rat of bruine rat in dezelfde schuren en tuinen heeft een kale, geschubde staart zonder haarkwast, grote naakte oren en een spitsere snuit. De Marokkaanse dieren buiten het oosten van het land, van de Atlantische vlakten tot in het Atlasgebergte, die vroeger tot deze soort werden gerekend, gelden sinds een herziening door Pavlinov (2000) als aparte soort, Meriones grandis.

Leefgebied

Halfdroge gebieden, en daarbinnen vooral graanland met zachte bodem en oasen: palmtuinen, moestuinen en boomgaarden. De soort komt tot tweeduizend meter voor in de Atlas en op de hoogvlakten, waar ze tussen rotsen op beschutte hellingen in weidegebied is gevonden. In Tunesië leeft ze in jujubestruweel en langs akkerranden met hagen van schijfcactus, dichte, doornige randen die dekking bieden naast een voedselrijk gewas. Rond boerderijen, erven en opslagplaatsen leeft ze dicht bij de mens, maar niet in gebouwen.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

De kuststreken van Noord-Afrika, van Oost-Marokko oostwaarts tot Egypte ten westen van de Nijl: het gebied van de Maghrebijnse akkerbouw, de hoogvlakten en de noordelijke Sahararand. Het hele areaal ligt binnen het gidsgebied. De soort is monotypisch: vroeger onderscheiden vormen zijn tot aparte soort verheven, zoals M. grandis in Marokko, of als niet-bevestigd terzijde gelegd, zoals de vorm trouessarti. Een volledige herziening van het hele areaal ontbreekt nog.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vooral 's nachts actief, maar ook in de ochtend te zien. Een gravende bodembewoner die in kolonies leeft; mannetjes houden grotere territoria aan dan vrouwtjes, en de communicatie verloopt via voetgetrommel en roepjes. Het voedsel is vrijwel geheel plantaardig en verschuift met het seizoen: in voorjaar en zomer bestaat meer dan de helft uit graankorrels, in de overige maanden uit vlinderbloemigen, composieten, kaasjeskruidachtigen en uiteenlopende stengels, bloemen en bladeren; in de zomer worden soms geleedpotigen gegeten. In het hol worden voorraden aangelegd. De voortplanting is seizoensgebonden, met een piek na het regenseizoen; de draagtijd is eenentwintig dagen en de worp telt drie tot acht jongen, gemiddeld vijf. De soort houdt geen winterslaap of winterrust.

Waar en wanneer kijken

Zoek de soort in de overgang van steppe naar graanland: rij tegen zonsondergang langs een akkerrand met stoppels of jong graan op de Algerijnse of Tunesische hoogvlakte en let op de wallen en perceelsranden. Overdag zijn de holstelsels goed te vinden; een netwerk van openingen met verse zandhopen is op twintig meter afstand zichtbaar, en wie er tegen de avond dichtbij gaat zitten, ziet de dieren naar buiten komen. Ook in de palmtuinen van de oasen komt de soort voor: loop bij het laatste licht langs de irrigatiegoten en de aarden walletjes. In de Atlas kan ze tot tweeduizend meter voorkomen, tussen de rotsblokken van een beweide helling. In het cultuurland is ze zo talrijk dat een avond meestal volstaat.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2016, beoordeeld onder de naam Meriones shawi). In graanland kan de soort dichtheden bereiken waarbij ze als plaag geldt. In Algerije is de schade becijferd op vierhonderd kilo tarwe per hectare en op twee- tot vierhonderdduizend hectare aangetast akkerland per jaar. Daarnaast is ze, samen met de vetzandrat, een van de belangrijkste reservoirgastheren van Leishmania major, de parasiet die de woestijnvorm van huidleishmaniase veroorzaakt: in Zuid-Marokko is ze het belangrijkste besmette dier, en ook in Algerije en Tunesië zijn natuurlijke infecties vastgesteld. Om beide redenen wordt de soort bestreden. Haar talrijkheid hangt samen met het door de mens gevormde akkerlandschap.

Wetenschappelijke naam

Meriones shawii | (Duvernoy, 1841) (GBIF: Meriones shawi)

Duvernoy beschreef de soort in 1841 als Gerbillus Shawii; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Meriones is de naam van Meriones, de Kretenzische held uit de Ilias; die naam hoort zelf bij het Griekse mēros 'dij'. Waarom Illiger hem aan een renmuis gaf zegt hij niet. shawii eert de Engelse geestelijke en reiziger Thomas Shaw (1694–1751), wiens verslag van de Barbarijse kustlanden lang het standaardwerk over Noord-Afrika bleef. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Algerije, Oran.