Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Provençaalse woelmuis

Provençaalse woelmuis | Microtus duodecimcostatus

Mediterranean Pine Vole | Topillo Mediterráneo

De Provençaalse woelmuis is een ondergronds levende woelmuis van Zuid-Frankrijk en het Iberisch Schiereiland. Zijn gangenstelsels liggen onder bermen, olijfgaarden en wijngaarden, en de hoopjes verse aarde die om de paar meter tussen het gras liggen, zijn vaak het enige teken van zijn aanwezigheid. Het dier zelf komt zelden boven de grond.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort wordt vooral aan zijn sporen vastgesteld. Hij leeft in een ondergronds gangenstelsel van 10 tot 50 cm diep, dat in de zomer tot een meter kan afdalen om vochtige grond te bereiken, en duwt de uitgegraven aarde met de kop naar buiten. Onder proefomstandigheden verzette één dier ruim twee kilo grond per dag. Dat levert hoopjes fijne, losse aarde op, die te onderscheiden zijn van die van de twee andere soorten die in Zuidwest-Europa aardhopen maken:
— Mol. De opening zit midden in de hoop, de gang loopt loodrecht omhoog, de hoop is groot en kegelvormig en de aarde is grof, met kluiten en steentjes, omdat de mol met zijn poten graaft. Molshopen liggen met vrij regelmatige tussenruimten in een lijn.
— Woelmuis. De opening zit opzij van de hoop, de gang loopt er onder ongeveer 45 graden in, de aarde is gelijkmatig van korrel en zonder grove stenen, omdat het dier met de tanden graaft, en de hoopjes liggen onregelmatig, vaak tegen elkaar aan of in een kronkelende rij langs de gang. De hoopjes van de Provençaalse woelmuis zijn duidelijk kleiner en platter dan een molshoop, en de ingang eronder wordt weer dichtgestopt, zodat zelden een open gat te zien is.
— Woelrat (Arvicola scherman in de bergen, A. sapidus langs het water). Hetzelfde patroon als bij de woelmuis, maar groter: forsere hopen en gangen van 5 tot 6 cm tegen 3 tot 4 cm bij de woelmuis.
Daarnaast zijn er vraatsporen onder de grond: aangevreten bollen, knollen en wortels, en jonge bomen en citrusstammetjes die vlak boven of net onder de grond zijn geringd; bij hoge dichtheden, tot negenhonderd dieren per hectare, is dat in boomgaarden duidelijk te zien. Onder een voorzichtig weggeveegd hoopje ligt de schuine gang, en soms een voorraadkamer met verzamelde wortelstukken.

Provençaalse woelmuis, rij aardhoopjes langs de gang in een grazige berm bij madrid: laag en breed uitgewaaierd, tegen elkaar aan gelegd, veel kleiner dan een molshoop
Rij aardhoopjes langs de gang in een grazige berm bij Madrid: laag en breed uitgewaaierd, tegen elkaar aan gelegd, veel kleiner dan een molshoop · Foto: Sara Navarro — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons
Provençaalse woelmuis, vers hoopje van dichtbij: fijne, gelijkmatige korrel zonder grove steentjes — het dier graaft met de tanden — en de ingang zit opzij en is weer dichtgestopt
Vers hoopje van dichtbij: fijne, gelijkmatige korrel zonder grove steentjes — het dier graaft met de tanden — en de ingang zit opzij en is weer dichtgestopt · Foto: Sara Navarro — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Herkenning

Klein, gedrongen en gebouwd om te graven. Kop-romp 8 tot 11,1 cm, staart slechts 1,9 tot 3,5 cm — een vijfde tot een kwart van de kop-romplengte — en een gewicht van 19 tot 32 gram. De kop is massief en breed met een stompe snuit, de nek zwaar, de ogen klein en de oren kort en in de vacht verzonken. De vacht is lang en zacht, bruin met een geel- of grijsachtige waas op de rug en lichtgrijs op de buik; jonge dieren zijn grijzer. De schedel is zwaar en diep met sterk uitstaande jukbogen, en de bovensnijtanden steken duidelijk naar voren; het dier graaft met tanden en voorpoten tegelijk. De tweede bovenkies is kort en heeft aan de binnenzijde slechts drie uitspringende hoeken.

Gelijkende soorten

De determinatie berust hier niet op het dier maar op vindplaats, bodem en hoogte. De moeilijkste verwant is de Baskische woelmuis (Microtus lusitanicus), de zustersoort, waarmee het areaal in Midden- en Noord-Spanje en in Portugal overlapt; de twee zijn niet volledig reproductief geïsoleerd, er zijn hybriden gevonden en mitochondriaal DNA is van de ene soort naar de andere overgegaan. In het veld zijn ze praktisch niet te scheiden: de Baskische is iets kleiner en donkerder en verkiest vochtiger, koeler, hoger gelegen en zuurder terrein, de Provençaalse diepere, lossere, kalkrijkere en drogere bodems. In Galicië en Cantabrië gaat het om de Baskische, in de Languedoc, de Levant, Andalusië en het Ebrodal om de Provençaalse, en in grote delen van Castilië kan het om beide gaan. Ook de ondergrondse woelmuis (M. subterraneus) en in de Pyreneeën de Pyrenese woelmuis (M. gerbei) zijn kleine, gravende woelmuizen van hetzelfde type. Van de veldmuis en Microtus lavernedii is hij wel te onderscheiden: die hebben grotere ogen, vrijer staande oren en een langere staart, graven nauwelijks en werpen geen aarde op, en leven in het gras in plaats van eronder. Cabrerawoelmuis is veel zwaarder, langharig en heeft een achtervoet van meer dan 20 mm. De woelratten (Arvicola) zijn twee tot vier keer zo groot en werpen ook aarde op, maar in veel grotere hopen. Een levend dier is dus zelden tot op soort te determineren, de aardhoopjes vaak wel.

Leefgebied

Open, grazige grond en bouwland in een mediterraan klimaat, van zeeniveau tot ongeveer 3000 meter. Bepalend is de bodem: een grondlaag van middelmatige dikte, niet steenachtig, op een matige helling, met een dichte kruidlaag en bij voorkeur de schaduw van een boomkroon, maar zonder struiken. Dat zijn onder meer bermen en taluds, klaverrijke weiden, hooiland, braakland, luzerne, olijfgaarden, wijngaarden, amandel- en citrusaanplant, moestuinen, parken en de kruidlaag van dehesa en steeneikenweide. Op harde, ondiepe of rotsige bodems ontbreekt hij.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuid- en Zuidoost-Frankrijk en het Iberisch Schiereiland: van de Languedoc, de Provence, de Rhônevallei en de voet van de Franse Pyreneeën via Andorra over heel Spanje en Portugal, behalve de noordwesthoek van Spanje, waar de Baskische woelmuis voorkomt. Het totale areaal wordt op ongeveer 532.000 vierkante kilometer geschat. In Spanje is hij, samen met de bosmuis, het wijdst verspreide kleine zoogdier: hij komt voor op de Meseta, in het Ebrodal, de Levant, Andalusië en Catalonië, van de kust tot het hooggebergte, en ontbreekt alleen in Galicië, het westen van Asturië en León en op zeer ondiepe bodems. De noordgrens loopt ruwweg langs de Rhône ter hoogte van de Drôme en de Ardèche en volgt vandaar de grens van het mediterrane klimaat. In de rest van Frankrijk en in Noord- en Midden-Europa ontbreekt hij.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Vrijwel volledig ondergronds, en daardoor moeilijk waar te nemen: hij brengt het grootste deel van zijn tijd in het gangenstelsel door, en bovengronds komt hij vooral in het donker. Hij klimt goed en zwemt zeer goed. Hij eet vooral ondergrondse plantendelen — bollen, knollen en wortels, met een duidelijke voorkeur voor knolklaverzuring en herfsttijloos — en veel minder groen blad en vruchten. Hij leeft in kleine kolonies van gemiddeld drie dieren, met een leefgebied van ongeveer 50 vierkante meter; het paarsysteem is monogaam en de inteeltgraad is hoog. In Noord-Spanje en Frankrijk plant hij zich het hele jaar voort, met een piek van november tot mei en het hoogtepunt in februari en maart; in Zuid-Spanje beperkt de voortplanting zich tot de winter, buiten de zomerdroogte. Na 24 dagen draagtijd worden één tot vijf naakte, blinde jongen geboren — in het zuiden gemiddeld twee, in het noorden bijna drie — die na 60 tot 70 dagen geslachtsrijp zijn. Mannetjes worden tot 33 maanden oud, vrouwtjes tot 27; in het wild overleeft hij normaal twee winters. Hij houdt geen winterrust.

Waar en wanneer kijken

Zoek naar de hoopjes, niet naar het dier. Ze zijn het hele jaar te vinden en na regen, als de grond zacht is, het best zichtbaar; loop een berm, boomgaardrand of olijfgaard af in de Provence, de Languedoc, Catalonië, de Levant, het Ebrodal of op de Meseta. Doe de vergelijking met de mol: veeg een hoopje weg en kijk waar de gang zit, onder welke hoek hij de hoop binnenkomt en of er stenen in de aarde zitten. Het dier zelf is alleen in de schemering of 's nachts te zien, dicht bij een verse opening, vooral na zware regen of bij het omspitten van een moestuin. Veel dieren worden gevonden doordat katten ze aanvoeren.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd (LC, 2024), met een groot, aaneengesloten areaal en plaatselijk hoge dichtheden. In citrus-, amandel- en steenfruitaanplant in Spanje en Zuid-Frankrijk kan hij bij hoge dichtheden de wortels en de stamvoet van jonge bomen aanvreten, en wordt hij met giflokaas bestreden. Dat leidt, net als bij de veldmuis, tot secundaire vergiftiging van uilen, roofvogels, vossen en marterachtigen die de vergiftigde dieren eten. Als alternatieven worden beheer van ondergroei en bodem, het vrijhouden van de boomspiegel en het plaatsen van zitpalen en nestkasten voor roofvogels genoemd. Buiten de teelt belucht en mengt hij de bodem, en hij is een belangrijke prooi van kerkuil, steenuil, blauwe reiger, vos en genetkat.

Wetenschappelijke naam

Microtus duodecimcostatus | (de Sélys-Longchamps, 1839)

De Sélys-Longchamps beschreef de soort in 1839 als Arvicola duodecimcostatus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. duodecimcostatus is Latijn voor 'twaalfribbig', van duodecim 'twaalf' en costa 'rib', naar de twaalf ribbenparen die de Sélys-Longchamps bij het dier telde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk, Hérault.