Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Paarse hoefijzerneus

Paarse hoefijzerneus | Rhinolophus euryale

Mediterranean horseshoe bat | Murciélago Mediterráneo de Herradura

De paarse hoefijzerneus is een middelgrote hoefijzerneus van Zuid-Europa, Noord-Afrika en Zuidwest-Azië, met een onderarm van 43 tot 51 millimeter. De Nederlandse naam verwijst naar de lichte roodachtige tot lila tint die de grijsbruine rugvacht kan hebben. De soort verblijft vooral in grote grotten in kalksteengebied, vormt winterkolonies tot 2000 dieren en is van de Europese hoefijzerneuzen het moeilijkst te scheiden van Mehely's hoefijzerneus.

Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Sporen

De soort laat zich vooral zien als kolonie: trossen grijsbruine hoefijzerneuzen aan het plafond van een grote, warme grot, in de zomer dieper in de grot en in de winter dichter bij de ingang. Onder de hangplaatsen ligt mest. Prooi wordt meestal naar een nachtrustplaats gebracht, bijvoorbeeld een boomgroep, en daar gegeten; onder zulke plekken kunnen vleugels van nachtvlinders liggen. Op de batdetector klinkt een lange toon met constante frequentie tussen 100 en 109 kHz, met korte frequentiegemoduleerde begin- en eindstukken en een interval tussen de pulsen van gemiddeld 84,5 milliseconden (Griekenland).

Herkenning

Middelgroot, met een onderarm van 43 tot 51 mm en een gewicht van 7,5 tot 17,5 g. De rug is grijsbruin met een lichte rode, lila of gelige zweem; de buik is lichter, maar nooit bijna wit. Jonge dieren zijn grijs. Rond de ogen is hooguit een vage donkere tekening aanwezig. De oren zijn kort (ongeveer 42 procent van de onderarm) en zonder tragus. Het neusblad: een lancet met rechte zijden, driehoekig en met stompe punt; een smal, naar voren gebogen en spits verbindingsstuk; een zadel met bijna evenwijdige zijden en brede top; een smal hoefijzer van 6,5 tot 7,5 mm zonder zijblaadjes. De onderlip draagt drie duidelijke groeven. De vleugels zijn lichtbruin. De vlucht is traag en wendbaar, met korte momenten van stilhangen. De echolocatie is FM/CF/FM met een constante frequentie van 100 tot 109 kHz: gemiddeld 104,8 kHz in Griekenland, 104 tot 106 kHz in Bulgarije, 102,3 kHz in Frankrijk, 100 tot 104 kHz in Italië en 102,4 kHz in Tunesië. De roepen duren in Griekenland gemiddeld 53,8 milliseconden.

Gelijkende soorten

Mehely's hoefijzerneus (Rhinolophus mehelyi) is volgens het Handbook of the Mammals of the World zeer moeilijk van deze soort te onderscheiden. Mehely's is gemiddeld iets groter (onderarm 48–56 mm), heeft een zuiver witte of bijna witte buik met een duidelijke grens tegen de rug, een donkere vlek rond of onder elk oog, een lancet met een versmald bovenste deel en een driehoekig, niet spits naar voren gebogen verbindingsstuk. De roepfrequenties overlappen: Mehely's roept gemiddeld rond 109 kHz (104–112 kHz). Blasius' hoefijzerneus (R. blasii) is even groot, maar heeft een verbindingsstuk in de vorm van een hoge, smalle hoorn, een wigvormig zadel dat naar boven versmalt en roept lager, gemiddeld rond 94 kHz in Europa. De kleine hoefijzerneus (R. hipposideros) is kleiner (onderarm 35–42,5 mm), heeft een laag, afgerond verbindingsstuk en roept rond 110 kHz. De grote hoefijzerneus (R. ferrumequinum) is groter (onderarm 51–61 mm) en roept rond 82 kHz. In een grot is de hangwijze een aanwijzing: actieve paarse hoefijzerneuzen hangen in kleine trossen in lichamelijk contact, zoals Mehely's hoefijzerneus, maar anders dan de kleine en de grote hoefijzerneus.

Leefgebied

Mediterraan en submediterraan struweel en bos, van zeeniveau tot ongeveer 1360 m. In Italië jaagt de soort bij voorkeur in loofbos en oeverbegroeiing en mijdt ze naaldbos en struweel; in Spanje is ze gebonden aan randen: heggen, bosranden en losse bomen. In Noord-Afrika is ze gevonden in mediterraan hardbladig bos, halfwoestijngrasland en struweel. De soort komt vooral voor in kalksteengebieden met veel grotten en water in de buurt. Verblijfplaatsen zijn meestal grote grotten; in Europa zijn ook kolonies in gebouwen gevonden.

Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.

Verspreiding

Zuid-Europa van het Iberisch Schiereiland en Midden- en Zuid-Frankrijk tot het hele Balkanschiereiland, met Corsica, Sardinië, Sicilië en Rhodos, en geïsoleerde populaties in Zuid-Slowakije en Noord-Hongarije. Verder Noord-Afrika (Noord-Marokko, Noord-Algerije, Tunesië) en Zuidwest-Azië: Turkije, de Kaukasus, de Levant, Noord- en West-Iran en Noord-Irak. Een enkel exemplaar van Cyprus wordt door de meeste auteurs tot Mehely's hoefijzerneus gerekend; ook Turkmenistan is onzeker. De soort geldt als verdwenen uit Zwitserland en Gibraltar. Het handboek behandelt de soort als monotypisch; de vroegere ondersoort judaicus hoort op grond van het typemateriaal bij Mehely's hoefijzerneus, en de Levantijnse populaties vormen mogelijk een nog onbenoemde ondersoort.

  • Inheems
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Waarnemingsdichtheid, geen areaal: de kaart laat zien waar de soort gemeld wordt en trekt geen grens om zijn leefgebied. De waarnemingen van GBIF (2006-01-01 – 2026-12-31) zijn geteld per hokje van 0,7° en gedeeld door alles wat in datzelfde hokje aan zoogdieren gemeld wordt — zo telt niet mee hoeveel waarnemers er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Wélke van de vier kleuren een hokje krijgt, is per land uit de literatuur beslist en niet uit de waarnemingen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Levenswijze

Nachtactief; de dieren verlaten de grot laat op de avond. Ze jagen langzaam vliegend, vanaf een zitplaats en waarschijnlijk ook door prooi van blad en bodem te pakken. Het voedsel bestaat het hele jaar vooral uit kleine tot middelgrote nachtvlinders (5–11 en 25–40 mm lang), aangevuld met langpootmuggen, vliegen, kevers en andere insecten; in Spanje waren vlinders goed voor 68 tot 99 procent van het voedsel en waren meikevers van het geslacht Rhizotrogus vóór de voortplanting van belang. Op het Iberisch Schiereiland jaagden dieren gemiddeld 1,3 km van het verblijf (hooguit 4,2 km); zogende vrouwtjes gemiddeld 4,3 km (hooguit 9,2 km). Paring vindt waarschijnlijk vóór de winterslaap plaats; de draagtijd is ongeveer 90 dagen en in juni-juli wordt één jong geboren. Mannetjes worden geslachtsrijp tussen 15 maanden en 2,2 jaar, vrouwtjes na 2 tot 3 jaar; een leeftijd van ongeveer 13 jaar is gemeld. Winterkolonies tellen tot 2000 dieren, kraamkolonies 50 tot 400. In winterslaap is de torpor diep, maar de dieren worden geregeld wakker en verlaten dan de grot. Tussen zomer- en winterverblijf ligt in de Karpaten 0,5 tot 16,7 km; de langste gemeten verplaatsing is 134 km.

Waar en wanneer kijken

De uitvlucht bij een bekende kolonie in een kalksteengebied in Zuid-Frankrijk, op het Iberisch Schiereiland, in Italië of op de Balkan geeft de meeste kans. Op de batdetector sluit een roep tussen 100 en 104 kHz Mehely's hoefijzerneus in de meeste streken grotendeels uit; tussen 104 en 109 kHz is geen zekere toewijzing mogelijk. Voor een sluitende determinatie is een foto van het gezicht en het neusblad nodig: let op het verbindingsstuk, de buikkleur en de tekening rond de ogen. Grotten met kolonies horen in de winterslaap- en kraamperiode niet betreden te worden; in veel landen is dat wettelijk geregeld.

Staat van instandhouding

Wereldwijd gevoelig (NT, 2016), met een dalende totale populatie. Op de centrale en oostelijke Balkan is de soort stabiel en algemeen; in Portugal en Italië, waar de populaties al klein zijn, neemt ze af. In Frankrijk daalde de stand tussen 1940 en 1980 met ongeveer 70 procent en is sinds de jaren tachtig stabiel; ook in Spanje zijn sterke afnamen gemeld. Grotten in Iran die dertig jaar geleden duizenden vleermuizen van verschillende soorten herbergden, zijn nu leeg. Genoemde oorzaken zijn vernietiging van leefgebied door verstedelijking en intensieve landbouw, versnippering, vernietiging van verblijfplaatsen en, in Frankrijk, organochloorbestrijdingsmiddelen. De soort staat in bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn.

Wetenschappelijke naam

Rhinolophus euryale | J. H. Blasius, 1853

J. H. Blasius beschreef de soort in 1853 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. euryale is Euryale, een van de drie Gorgonen, de zusters van Medusa; het staat als eigennaam naast de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Milaan.