Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Rhinolophus clivosus
Rhinolophus clivosus | Rhinolophus clivosus
Geoffroy's horseshoe bat | Rhinolophus clivosus
Rhinolophus clivosus is een hoefijzerneus van droge gebieden, in 1828 door Philipp Jakob Cretzschmar beschreven van de Arabische kust van de Rode Zee; in het Engels heet hij Geoffroy's horseshoe bat. In het gidsgebied bereikt de soort alleen de zuidoostelijke rand: de Levant en Noord-Egypte. Taxonomisch is ze een complex: het Handbook of the Mammals of the World beschrijft R. clivosus als parafyletisch ten opzichte van de grote hoefijzerneus en waarschijnlijk samengesteld uit ten minste drie soorten. De Mammal Diversity Database beperkt de naam tot Noord-Afrika en het Arabisch Schiereiland.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Overdag hangt de soort alleen of in groepen tot ongeveer 50 dieren in grotten, rotsspleten, verlaten mijnschachten, catacomben, stenen hutten en verlaten gebouwen; in grote kolonies hangen de dieren in kleine trossen die elkaar niet raken. Prooi wordt na de vangst hangend aan een tak of andere begroeiing gegeten, zodat onder zulke plekken insectenresten kunnen liggen. Op de batdetector klinkt in de Levant een lange toon met constante frequentie rond 85 kHz, met korte frequentiegemoduleerde begin- en eindstukken.
Herkenning
Middelgroot tot vrij groot; het handboek geeft voor het hele complex een onderarm van 42 tot 59 mm en een gewicht van 10 tot 25 g. De rugkleur is zeer variabel: crème, grijs, bruingrijs, grijsachtig reebruin of roodbruin, met meestal donkere haarpunten; de buik is beige, lichtbruin of grijs. Oranje-roodbruine dieren komen voor. De oren zijn kort (30 tot 47 procent van de onderarm) en zonder tragus. Het neusblad: een spiesvormige lancet met afgeronde punt; een afgerond, verheven verbindingsstuk, soepel gebogen of iets hoekig, dat iets tot duidelijk hoger reikt dan de punt van het zadel; een smal zadel met holle zijden en een brede, afgeronde top; een hoefijzer van 6,6 tot 9,6 mm met (soms rudimentaire) zijblaadjes. Vleugels en staartvlies zijn licht- tot donkergrijs. De echolocatie is FM/CF/FM; de constante frequentie ligt in het gidsgebied rond 85 kHz: 85,2 kHz in Israël en 83,5 tot 85 kHz in Jordanië, met roepen van gemiddeld 54,5 en 48 milliseconden. In Algerije is 92,7 kHz gemeten.
Gelijkende soorten
De grote hoefijzerneus (Rhinolophus ferrumequinum) is de naaste verwant en komt in de Levant ook voor. Hij is groter (onderarm 51–61 mm) en roept lager, rond 82 kHz; de verschillen in roepfrequentie zijn klein, zodat de detector alleen een aanwijzing geeft. Het neusblad is van hetzelfde type, met een afgerond verbindingsstuk. Blasius' hoefijzerneus (R. blasii) is kleiner (onderarm 41–51 mm), roept rond 94 kHz en heeft een verbindingsstuk in de vorm van een hoge, smalle, spitse hoorn. De paarse en Mehely's hoefijzerneus (R. euryale, R. mehelyi) roepen boven 100 kHz, de kleine hoefijzerneus (R. hipposideros) rond 110 kHz. De drietandbladneusvleermuis (Asellia tridens), die in Egypte en de Levant in dezelfde grotten kan hangen, behoort tot een andere familie: haar neusblad mist de lancet en het zadel van de hoefijzerneuzen en draagt bovenaan drie punten.
Leefgebied
Overwegend droge en open landschappen: savanne met bomen, mediterraan struweel, droge savanne, open grasland, halfwoestijn en woestijn, van zeeniveau tot ongeveer 2300 m. In de Levant leeft de soort vooral in droog mediterraan struweel, in Arabië in droog struweel, steppe en savanne; in de Sahara is ze grotendeels beperkt tot bergmassieven. Ondanks de droogte is ze meestal te vinden bij water, bij dichte begroeiing om in te jagen en bij grotten om in te verblijven. Wilde dieren drinken geregeld.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
In de huidige, beperkte opvatting van de Mammal Diversity Database: Algerije, Libië, Egypte, Israël, Palestina, Jordanië, Saoedi-Arabië, Jemen en Oman. Het handboek rekent daarnaast populaties van de Hoorn van Afrika tot Zuid-Afrika tot de soort, in tien ondersoorten. In het gidsgebied leven de vorm brachygnathus (Israël, Egypte en Noord-Soedan) en, in Zuidwest-Jordanië, de nominaatvorm. Egyptische dieren vallen genetisch samen met de grote hoefijzerneus; populaties uit Cyrenaica in Libië worden sinds kort als een aparte soort, R. horaceki, beschouwd.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief; de dieren jagen de hele nacht door, langzaam vliegend, vanaf een zitplaats en waarschijnlijk ook door prooi van begroeiing en bodem te pakken, vaak onder bomen. Het voedsel bestaat vooral uit nachtvlinders en kevers: in Algerije gemiddeld 62,6 procent vlinders en 29,4 procent kevers naar volume, in Jordanië vlinders, kevers en muggen. Overdag kunnen de dieren in torpor gaan. Over de voortplanting in het gidsgebied is weinig bekend; in zuidelijk Afrika plant de soort zich eenmaal per jaar voort, met opslag van sperma, een draagtijd van 3,5 maanden, een zoogperiode van ongeveer 2 maanden en geslachtsrijpheid na ongeveer 18 maanden. Het handboek vermeldt voor het noordelijke deel van het areaal geen winterslaap; het is niet vastgelegd hoe de dieren daar de koele maanden doorbrengen.
Waar en wanneer kijken
In het gidsgebied ligt de beste kans in Israël en Jordanië, in rotsige wadi's met grotten en water. Een detector die de constante frequentie weergeeft, onderscheidt de soort van de middelgrote en kleine hoefijzerneuzen; tegenover de grote hoefijzerneus is het verschil in frequentie klein en helpen alleen formaat en neusbladvorm. Grotten met kolonies zijn gevoelig voor verstoring.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). De soort is in een groot deel van het areaal tamelijk algemeen, maar neemt in het Palearctische deel mogelijk af. Er zijn geen overkoepelende bedreigingen; plaatselijk kunnen vernietiging van leefgebied, verstoring van verblijfplaatsen en indirecte vergiftiging door insecticiden en andere bestrijdingsmiddelen een rol spelen. In Jordanië is de soort wettelijk beschermd. Omdat de taxonomie van het complex nog niet is afgerond, kan de beoordeling na een splitsing veranderen.
Wetenschappelijke naam
Rhinolophus clivosus | Cretzschmar, 1828
Cretzschmar beschreef de soort in 1828 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. clivosus is Latijn voor 'heuvelachtig, steil', bij clivus 'helling'; waarop Cretzschmar doelde licht hij niet toe, vermoedelijk op het bergland van de vindplaats aan de Rode Zee. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Saoedi-Arabië.






