Alle soorten › Vleermuizen › Hoefijzerneuzen › Grote hoefijzerneus
Grote hoefijzerneus | Rhinolophus ferrumequinum
Greater horseshoe bat | Murciélago Grande de Herradura
De grote hoefijzerneus is de grootste Europese hoefijzerneus. In rust hangt hij vrij aan de poten, met de vleugels volledig om het lichaam gewikkeld; die houding komt in Europa alleen bij de hoefijzerneuzen voor en maakt determinatie in een grot of kelder zonder aanraken mogelijk. Het voedsel bestaat voor een belangrijk deel uit mestkevers, waardoor de soort afhankelijk is van beweid grasland met vee.
Sporen
De sporen van deze soort zijn aan vaste plekken gebonden. Onder een nachtrustplaats (een balk in een schuur, een overkapping, een poort, een brug, een grotingang) ligt een hoopje mest met daartussen de afgebeten vleugels van grote nachtvlinders, en in mei en juni de halsschilden en dekschilden van meikevers en mestkevers. Dat volgt uit de jachtwijze: het dier hangt aan een tak of balk, vangt van daaruit een prooi en keert ermee terug om die hangend te eten, waarbij de onverteerbare delen naar beneden vallen. Zulke hoopjes vleugels en dekschilden ontbreken bij dwergvleermuizen. De mest is groter dan die van de algemene soorten, ruim een centimeter lang en naar verhouding dik, zwart en bros, en verkruimelt tussen de vingers tot glinsterende keverresten. In het winterverblijf (een grot, een mergelgroeve, een ijskelder, een verlaten mijn) is het dier zelf te vinden: vrij hangend aan het gewelf, met de vleugels om het lichaam, vaak met condensdruppeltjes op de vacht, meestal enkele meters van de ingang in de vochtigste, tochtvrije gang. Op een kerk- of kasteelzolder is een kraamkolonie te herkennen aan een brede strook mest onder de nok en aan een sterke geur. Op de batdetector is de soort eenduidig te herkennen: een lange, constante fluittoon rond 82 kHz, die klinkt als het piepen van een deurscharnier en die buiten de eigen familie door geen andere Europese vleermuis wordt voortgebracht.

In zijn leefgebied

Herkenning
Een forse vleermuis met een onderarm van 51 tot 61 mm, grijsbruin van boven met een vage roodachtige of gelige zweem en vuilwit tot grijs van onderen; jonge dieren zijn grijzer. Het gezicht draagt het kenmerk waaraan de familie haar naam dankt: een ingewikkeld, vlezig neusblad in de vorm van een hoefijzer, met daarboven een puntige lancet en daartussen een zadelvormig middenstuk. De roep wordt door de neusgaten uitgezonden en door het neusblad gericht. De oren zijn groot, spits en beweeglijk en hebben geen tragus; dat onderscheidt de hele familie van alle andere Europese vleermuizen. De vleugels zijn breed en afgerond; de vlucht is traag, laag en fladderend, vaak met korte glijvluchten langs een heg. In rust hangt het dier vrij aan de poten, met de vleugels volledig om lichaam en kop gewikkeld; geen andere Europese vleermuis buiten deze familie doet dat.
Gelijkende soorten
De kleine hoefijzerneus (Rhinolophus hipposideros) hangt op dezelfde manier, maar is duidelijk kleiner (onderarm 35 tot 42,5 mm, tegen 51 tot 61 mm bij de grote), en hangt in een winterverblijf meestal verspreid als losse dieren over het gewelf. Waar beide voorkomen, is de grootte op afstand het enige bruikbare kenmerk; het verschil is groot genoeg. Lastiger zijn Mehely's hoefijzerneus (R. mehelyi) en Blasius' hoefijzerneus (R. blasii), die in Iberië en op de Balkan naast de grote hoefijzerneus voorkomen en er in grootte dicht bij liggen. Ze zijn te onderscheiden aan de vorm van het neusblad en de gezichtstekening; daarvoor is een dier in de hand of een zeer goede foto nodig, in een donkere grot is de determinatie niet te maken. Van alle andere Europese vleermuizen is de soort direct te onderscheiden: geen andere heeft een neusblad, geen andere hangt vrij met de vleugels om het lichaam, en alle andere hebben een tragus.
Leefgebied
Warm, kleinschalig heuvelland: beweid grasland en boomweiden omzoomd door heggen en houtwallen, oud loofbos, boomgaarden, holle wegen en beekdalen. De jachtgebieden liggen zelden verder dan enkele kilometers van het verblijf en worden langs opgaande begroeiing bereikt; onderbroken heggen vormen voor deze soort een barrière. In de zomer zijn grote, warme, tochtvrije zolders nodig met een open invliegopening (kerken, kastelen, boerderijen), omdat de soort niet door een spleet kruipt zoals een dwergvleermuis. In de winter zijn grotten, mergelgroeven, mijnen en kelders nodig met een stabiele temperatuur en een hoge luchtvochtigheid. De combinatie van beide eisen bepaalt in belangrijke mate de verspreiding.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Zuid- en West-Europa, Noord-Afrika en oostwaarts tot in Azië; in Europa loopt de noordgrens door Zuid-Engeland, Wales, België, Zuid-Duitsland en Polen. Op het Iberisch Schiereiland komt de soort in het hele gebied en op de Balearen voor, met kolonies in grotten, mijnen en gebouwen in onder meer Andalusië, Extremadura, Castilië, het Iberisch Randgebergte, Catalonië en de Cantabrische kuststrook; ook in Frankrijk, Italië en op de Balkan is ze een algemene grotbewoner. Het Iberisch Schiereiland herbergt samen met Frankrijk en Italië een belangrijk deel van de Europese populatie. In Groot-Brittannië, de noordwestelijke rand van het areaal, leven kolonies in Devon, Somerset, Dorset, Gloucestershire en Zuid-Wales, in totaal enkele duizenden dieren, die overwinteren in oude mijnen en grotten en zich voortplanten in een klein aantal grote, beschermde gebouwen; deze populatie nam in de twintigste eeuw met meer dan negentig procent af en groeit sinds de jaren tachtig weer. In Nederland is de soort als voortplantende vleermuis verdwenen: de laatste kraamkolonies in Zuid-Limburg zijn in de twintigste eeuw verdwenen, en alleen enkele dieren overwinteren nog in de mergelgroeven van de Sint-Pietersberg en omgeving. In België leeft een kleine populatie in Wallonië.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief en laat uitvliegend: de dieren verlaten de zolder pas als het vrijwel donker is en jagen laag boven en langs beweid grasland, heggen en bosranden, afgewisseld met wachten vanaf een uitkijkpost. Het voedsel bestaat uit grote nachtvlinders, meikevers en vooral mestkevers. Dat maakt de soort kwetsbaar: mestkevers leven van koeienvlaaien, en weiden zonder vee of met vee dat met ontwormingsmiddelen (avermectines) is behandeld, leveren ze niet. In mei betrekken de vrouwtjes de kraamzolder, waar ze in juni of juli één jong per jaar krijgen dat na een maand vliegt; kolonies tellen tientallen tot enkele honderden dieren en zijn, waar het gebouw dat toelaat, honderden jaren in gebruik. Van oktober tot april volgt winterslaap in grot of groeve, waarbij de lichaamstemperatuur tot vlak boven die van de omgeving daalt; verstoring in die maanden kost een dier een deel van zijn vetreserve en kan dodelijk zijn. Een leeftijd van dertig jaar is vastgesteld.
Waar en wanneer kijken
De soort is in het zuiden van Europa veel gemakkelijker te zien dan in het noorden. Op een zomeravond bij een kerk, kasteel, boerderij of grotingang in Zuidwest-Frankrijk, Extremadura, Andalusië, het Iberisch Randgebergte of Toscane vliegen bij het invallen van de duisternis trage, fladderende dieren langs de gevel; een detector afgestemd op 82 kHz bevestigt de determinatie. In Zuidwest-Engeland en Zuid-Wales worden bij enkele beheerde kolonies uitvliegavonden georganiseerd; dat is de beste gelegenheid om de soort in Noordwest-Europa te zien. Ga in de winter niet zelf een grot, mijn of groeve in: één ronde met een lamp langs een gewelf kan een hele groep overwinterende dieren het leven kosten, en het is in vrijwel alle landen verboden. Zoek in plaats daarvan onder overkappingen en poorten naar hoopjes vlindervleugels en dekschilden. Bij een toeristische grot kun je navragen of er een bezoekregeling is: sommige grotten sluiten de delen met kolonies van oktober tot april.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2016). Binnen Europa verschilt de situatie per regio. In Noordwest-Europa is de soort uit de rand van haar areaal verdwenen of sterk afgenomen: in Nederland is ze als voortplantende soort verdwenen, in België teruggebracht tot enkele plekken, en in Groot-Brittannië nam ze in de twintigste eeuw met meer dan negentig procent af. In Zuid-Europa is ze nog algemeen, maar spelen dezelfde bedreigingen. De oorzaken zijn bekend: het verdwijnen van beweid grasland met heggen en van bomenrijen die als verbindingsroute dienen, het afsluiten van kerk- en kasteelzolders met gaas, het afsluiten en toeristisch inrichten van grotten en winterverblijven, verstoring tijdens de winterslaap, het verdwijnen van extensieve begrazing, en het wegvallen van mestkevers door ontwormingsmiddelen in de veehouderij. Gericht beheer heeft effect: in Zuidwest-Engeland en Wales groeit de populatie sinds de jaren tachtig, doordat kraamzolders zijn opengehouden en beveiligd, mijningangen met hekken zijn afgesloten voor mensen maar niet voor vleermuizen, en er rond de kolonies weer extensief beweid grasland is; ook elders nemen populaties toe waar deze maatregelen zijn genomen.
Wetenschappelijke naam
Rhinolophus ferrumequinum | (von Schreber, 1774)
Von Schreber beschreef de soort in 1774 als Vespertilio ferrum-equinum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Rhinolophus is Grieks, van rhis, genitief rhinos, 'neus', en lophos 'kam', naar het neusblad. ferrumequinum is Latijn voor 'hoefijzer', van ferrum 'ijzer' en equinus 'van het paard', naar de vorm van het neusblad. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Frankrijk.






