Alle soorten › Knaagdieren › Slaapmuizen › Muisslaper
Muisslaper | Myomimus roachi
Roach's Mouse-tailed Dormouse | Lirón colipelado
De muisslaper is een slaapmuis met een klein, sterk versnipperd areaal in Zuidoost-Bulgarije, Turks Thracië en aangrenzende gebieden, en behoort tot de zeldzaamste zoogdieren van Europa. De soort werd in 1937 beschreven van fossiel materiaal uit een grot op de berg Karmel; pas decennia later werd vastgesteld dat zij nog leeft, in heggen en wijngaarden van Zuidoost-Bulgarije en Turks Thracië. Waarnemingen van levende dieren zijn schaars.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Er zijn nauwelijks sporen beschreven, omdat de soort zelden wordt gevonden. Het grootste deel van de kennis over de soort komt uit braakballen van kerkuilen; het verzamelen van braakballen onder kerktorens of schuren in Zuidoost-Bulgarije of Turks Thracië en het doorzoeken van de schedels is daarom de eerste stap. Bij het levende dier zijn twee kenmerken bruikbaar. Ten eerste de boomholte: de soort rust overdag in holten van oude bomen langs beken, in heggen of in boomgaarden, en verdwijnt waar zulke bomen verdwijnen; rijen knotwilgen of oude noten- en moerbeibomen met holten zijn de meest geschikte landschapselementen. Ten tweede het winterhol: deze soort graaft voor de winterslaap een eigen hol van ongeveer twaalf centimeter diep in de grond, waarin zij van half november tot eind april verblijft; ook de relmuis overwintert meestal in de bodem, in een zelfgegraven of bestaand hol. De keutels zijn klein, donker en cilindrisch, gelijk aan die van een bosmuis, en zonder het dier niet met zekerheid toe te wijzen. Voor deze soort is de braakbal de belangrijkste bron; andere sporen zijn aanvullend.
Herkenning
Een slaapmuis met het uiterlijk van een muis. Kop-romp 8,5 tot 13,5 cm, staart 6,5 tot 9,5 cm; de staart is daarmee korter dan het lichaam, terwijl alle andere Europese slaapmuizen een staart hebben die even lang of langer is dan het lichaam. De staart is bovendien kort en dun behaard, zonder pluim, kwast of witte punt; alleen aan de punt is de beharing iets langer. De rug is grijsbruin tot zandgrijs, scherp gescheiden van de witte tot vuilwitte keel, borst en buik. Er is geen masker en geen oogstreep; het gezicht is effen, wat de soort onderscheidt van eikelmuis, bosslaapmuis en woestijnslaapmuis. De oren zijn klein tot middelgroot (13 tot 18 mm) en rond, de ogen groot en zwart, de achtervoet 19 tot 23 mm. Het gewicht bedraagt 21 tot 70 gram en varieert sterk met het seizoen.
Gelijkende soorten
De belangrijkste verwarringsmogelijkheid is een echte muis. Op een onduidelijke foto of in het licht van een lamp lijkt de soort op een bosmuis of grote bosmuis, die in hetzelfde landschap voorkomen. Het verschil zit in staart en kop: de bosmuis heeft een naakte, duidelijk geringde staart die even lang of langer is dan het lichaam, zeer grote oren en een spitse snuit, en beweegt zich springend voort; de muisslaper heeft een kortere, dun behaarde staart zonder ringen, een kortere en stompere snuit, en klimt eerder dan dat hij springt. De bosslaapmuis komt in Bulgarije samen met de muisslaper voor en heeft een zwarte oogstreep en een pluimstaart. De hazelmuis is goudoranje en heeft een dicht behaarde staart. Met een dier in de hand geeft de combinatie van een slaapmuisvoet, een effen gezicht en een korte, muisachtige staart uitsluitsel; in het veld is dat vaak niet vast te stellen, en dan wordt de waarneming als 'onbepaald' genoteerd.
Leefgebied
Laagland, in het overgangsgebied tussen bos en open akker: ooibos en struweel langs beken en rivieren, oude heggen tussen akkers, wijngaarden, moerbei- en amandelboomgaarden en verruigde perceelsranden. Vereist zijn oude bomen met holten in dit halfopen landschap. Gesloten bos wordt niet bewoond, en uit grootschalig, intensief bewerkt akkerland zonder houtige randen verdwijnt de soort. Zij is daarmee gebonden aan het traditionele kleinschalige boerenland van de noordelijke Egeïsche regio, een landschapstype dat zelf in oppervlakte afneemt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Een sterk versnipperd areaal in het noordoostelijke Middellandse Zeegebied: Zuidoost-Bulgarije (het Thracische laagland en de Strandzja) en Turks Thracië en de Egeïsche kust van West-Anatolië, met het huidige zwaartepunt in enkele kleine bosjes bij Edirne. Voorkomen in Noordoost-Griekenland werd lang vermoed en is recent bevestigd. Daarbuiten komt de soort niet voor. Fossiel materiaal (de soort is beschreven uit laat-pleistocene lagen in de Tabungrot op de Karmel in Israël) toont aan dat zij vroeger een veel groter deel van het oostelijke Middellandse Zeegebied bewoonde; de huidige populaties zijn een relict aan de noordwestrand van dat vroegere areaal.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nacht- en schemeractief, met twee pieken: van zonsondergang tot rond middernacht en rond en na zonsopgang. De soort beweegt zich zowel in bomen als over de grond, wat onder slaapmuizen ongebruikelijk is; zij is minder aan de boomkruin gebonden dan de hazelmuis en minder aan rotsen dan de eikelmuis. Het voedsel is overwegend dierlijk, met een voorkeur voor insecten, vooral sprinkhanen en nachtvlinders, aangevuld met vruchten, zaden en noten. De soort is actief van april tot november en houdt van half november tot eind april een winterslaap in een zelfgegraven hol. De voortplanting valt eind april en begin mei, met vijf tot zes jongen per worp; ook jonge vrouwtjes planten zich voort. Verder is over de levenswijze weinig bekend.
Waar en wanneer kijken
De kans om de soort te zien is klein. De betrouwbaarste methode om haar vast te stellen is het onderzoeken van braakballen: verzamel in Zuidoost-Bulgarije of Turks Thracië materiaal onder een roestplaats van een kerkuil en laat de schedels determineren. Voor een waarneming van het dier zelf zijn oude heggen of stroken ooibos langs beken in de Bulgaarse Thracische vlakte het meest geschikt, in mei of juni, in het eerste uur na zonsondergang, door met een zwakke lamp de stammen van oude, holle bomen af te zoeken. Elke waarneming is van belang en hoort gemeld te worden; in sommige regio's is het aantal moderne vondsten op één hand te tellen.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar (VU, 2022). Het areaal is klein, sterk versnipperd en neemt af. De belangrijkste oorzaak is schaalvergroting in de landbouw: het verdwijnen van heggen en perceelsranden, het rooien van oude boomgaarden en vooral het kappen van oude, holle bomen die als dagrustplaats dienen. De soort is nergens algemeen, zodat elke lokale populatie klein is en snel kan verdwijnen. Beschermingsmaatregelen bestaan uit het behouden van oude bomen met holten, van heggen tussen akkers en van struweel langs beken.
Wetenschappelijke naam
Myomimus roachi | (Bate, 1937)
Bate beschreef de soort in 1937 als Philistomys roachi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Myomimus is Grieks, van mys, genitief myos, 'muis', en mimos 'nabootser': de slaapmuis die op een muis lijkt. roachi eert een Roach. Bate beschreef het dier als fossiel uit de grotten van de Karmel en licht de naam niet toe, zodat niet vaststaat wie zij bedoelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Israël, Karmel.





