Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Gewone vliegende eekhoorn
Gewone vliegende eekhoorn | Pteromys volans
Russian Flying Squirrel | Ardilla Voladora Europea
De gewone vliegende eekhoorn is, naast de vleermuizen, de enige zwevende zoogdiersoort in Europa. Binnen Europa leeft hij in oud gemengd bos met sparren in Finland en Estland. Hij is nachtactief en verlaat zijn boomholte pas na zonsondergang. De meeste waarnemingen berusten op keutels onder espenstammen: geel, 3 tot 5 mm lang en vaak bij honderden bijeen.
Sporen
De soort wordt vrijwel uitsluitend aan de keutels vastgesteld; het monitoringonderzoek in Finland en Estland berust daarop. Onder een bewoonde nestboom liggen de keutels bij tientallen tot honderden bijeen: ovaal tot langwerpig, 3 tot 5 mm lang en helder geel tot oranje. De kleur komt van het wintervoedsel, katjes van els en berk; bij geen ander Europees zoogdier hebben de keutels die kleur. Ze liggen in hoopjes aan de voet van de stam, op de mosrand, op wortelaanlopen en op stronken in de buurt, en blijven maandenlang liggen. In het vroege voorjaar, na het smelten van de sneeuw en vóór de grasgroei, zijn ze op het bruine bosmos van afstand zichtbaar. Het tweede spoor is de nestholte: een oud spechtengat van vier tot vijf centimeter doorsnede, meestal hoog in een oude esp, soms in een berk of een nestkast, met sparren eromheen. Het derde is een winterspoor: urine in de sneeuw onder de nestboom, gele tot oranje vlekken in de laatste sneeuw die op tien meter afstand zichtbaar zijn. Vraatsporen zijn schaars, omdat de soort bladeren en katjes eet; onder de boom liggen soms afgebeten twijgeinden en losse katjes.



De kop van dichtbij

Herkenning
Kop-romp 13 tot 20 cm, staart 9 tot 14 cm, gewicht ongeveer 130 tot 150 gram; kleiner en lichter dan de gewone eekhoorn. De vacht is in de winter zilvergrijs en in de zomer grijsbruin, de onderzijde wit tot lichtgrijs. Twee kenmerken zijn bepalend. Het eerste is de vlieghuid: een behaarde huidplooi tussen voor- en achterpoot, aan de pols gespannen door een kraakbenige spoor. Bij een zittend dier ligt die in een golvende plooi langs de flank; tijdens de zweefvlucht is hij tot een vierkant vlak uitgespannen. Het tweede is het oog: groot in verhouding tot de kop, zwart en bol, met een donkere ring eromheen. De oren zijn klein, rond en zonder pluimen, de snuit is kort en stomp, en de staart is afgeplat en breed, niet rond en pluimig. De poten zijn kort, de klauwen scherp en gebogen.
Gelijkende soorten
Bij goed zicht is de soort in Europa met geen ander zoogdier te verwarren; het is de enige zwevende zoogdiersoort van het continent buiten de vleermuizen. In het donker zijn drie verwarringen mogelijk. De gewone eekhoorn is groter, roodbruin tot zwartbruin, heeft in de winter oorpluimen, een ronde pluimstaart en geen vlieghuid; hij is overdag actief en 's nachts vrijwel altijd in het nest. Een vleermuis klapwiekt en verandert voortdurend van richting; de vliegende eekhoorn beweegt in één rechte, dalende lijn van stam naar stam en landt met een korte opwaartse zwenking. Een bosuil of ruigpootuil die geluidloos uit een boom vertrekt, vliegt door en landt niet tegen een stam. Bij daglicht, in een nestkast of in een holte, is de determinatie zeker.
Leefgebied
Oud, gemengd taigabos waarin twee elementen samen voorkomen: oude espen, berken en elzen voor voedsel en nestholten, en opgaande sparren voor dekking en voor aaneengesloten zweefroutes tussen de kronen. Jonge, zuivere naaldhoutopstanden worden niet bewoond, espenopstanden zonder sparren evenmin. De soort heeft een voorkeur voor bosranden langs beken, moerasranden en oude open plekken met dikke espen. In Finland en Estland wordt ze geregeld aangetroffen in oud bos bij bebouwing: stadsbossen, parkbossen en boerenerven met oude espen, waar ook nestkasten worden gebruikt.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Van Finland en de oostelijke Oostzeeregio door de Russische taiga tot de Stille Oceaan, Mongolië, Korea en Japan. Het Europese deel van het areaal is klein en neemt af. De soort komt voor in Finland, van Lapland tot in het zuiden, met de grootste Europese populatie, en in Estland, waar ze beperkt is tot het noordoosten. In Letland is ze voor het laatst in 2001 waargenomen en geldt ze sinds 2013 als regionaal uitgestorven; uit Litouwen is ze verdwenen; in Wit-Rusland ontbrak ze tussen 1996 en 2017, toen ze opnieuw werd vastgesteld. De soort ontbreekt in Zweden, Noorwegen, Midden-Europa, Groot-Brittannië, Ierland en het Iberisch Schiereiland.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Nachtactief, met de meeste activiteit in de eerste uren van de nacht en rond de dageraad; in de lichte zomernachten in het noorden ook in de schemering. De soort vliegt niet maar zweeft: het dier klimt hoog in een stam en glijdt dan met gespreide vlieghuid in een dalende lijn naar de voet van een volgende boom, meestal over vijf tot twintig meter, uitzonderlijk over meer dan honderd meter. Met de brede staart wordt gestuurd; voor de landing remt het dier af met een opwaartse zwenking. Het voedsel bestaat uit bladeren van esp, berk en els en uit knoppen, in de winter vrijwel uitsluitend uit katjes, waarvan in de herfst voorraden worden aangelegd in boomholten en takvorken. Er is geen winterslaap; bij strenge kou is het dier minder actief en blijft het hele dagen in de holte, soms met meerdere dieren samen. Eén tot twee worpen per jaar, van twee tot drie jongen, in april en juni; de jongen zweven vanaf een leeftijd van ongeveer zes weken. Vrouwtjes hebben een territorium, mannetjes gebruiken een veel groter gebied.
Waar en wanneer kijken
Zoek naar keutels. Loop in april of begin mei, na het smelten van de sneeuw, door oud bos in Finland of Estland van dikke esp naar dikke esp en controleer de stamvoet, de mosrand en stronken binnen een paar meter op hoopjes gele keutels. Liggen die er, dan is de boom een nestboom en is de holte meestal met een verrekijker te vinden. Om het dier zelf te zien, ga je in maart of april terug naar dezelfde boom en wacht je vanaf een halfuur na zonsondergang op ongeveer tien meter afstand, stil en zonder lamp, op het uitvliegen. Houd rekening met meerdere avonden. De kans is het grootst in de stadsbossen rond Helsinki, Espoo en Vantaa, waar het meest gezocht wordt.
Staat van instandhouding
Wereldwijd niet bedreigd (LC, 2017); de Siberische populatie is groot. In Europa neemt de soort in het hele areaal af. De belangrijkste oorzaak is moderne bosbouw: kaalkap en omvorming naar gelijkjarig, jong productiebos verwijderen de oude holle espen en de opgaande sparren en versnipperen het kronendak, waardoor zweefroutes worden onderbroken. De soort staat op bijlage II en IV van de Habitatrichtlijn. In Finland verplicht de boswet om bekende voortplantings- en rustplaatsen bij houtkap te sparen. Over die regeling wordt veel gediscussieerd; ze heeft tot gevolg dat een keutelvondst in Finland directe juridische gevolgen voor houtkap kan hebben.
Wetenschappelijke naam
Pteromys volans | (Linnaeus, 1758)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Sciurus volans; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Pteromys is Grieks, van pteron 'vleugel' en mys 'muis', naar de vlieghuid tussen de poten. volans is Latijn voor 'vliegend', het tegenwoordig deelwoord van volare 'vliegen', naar de zweefvlucht aan het vlieghuid. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Finland.



