Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Microtus nebrodensis
Microtus nebrodensis | Microtus nebrodensis
Sicilian Pine Vole | Microtus nebrodensis
Microtus nebrodensis is de enige woelmuis van Sicilië en heeft geen Nederlandse naam. Tot voor kort gold hij als ondersoort van Savi's woelmuis. DNA-onderzoek toonde aan dat de Siciliaanse dieren niet het nauwst verwant zijn aan de Italiaanse, maar een basale positie in de hele groep innemen. De soort wordt daarom opgevat als een oude, geïsoleerde lijn die op het eiland in een refugium is blijven bestaan. Omdat er op Sicilië geen andere woelmuis voorkomt, is de determinatie op het eiland eenduidig.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
De sporen zijn dezelfde als die van de verwante soorten op het vasteland; omdat er op Sicilië geen andere woelmuis voorkomt, zijn ze eenduidig toe te wijzen. In de bergweiden van de Madonie en de Nebrodi, in graanstoppel, in amandel- en olijfgaarden en langs akkerranden liggen rijen kleine, lage hoopjes zeer fijne aarde met afgesloten ingangen. De gangen liggen ondiep, meestal binnen een halve meter van de oppervlakte, met een doorsnede van ongeveer drie centimeter. De mol ontbreekt op Sicilië; aardhoopjes op het eiland zijn daarom afkomstig van deze woelmuis of van menselijk graafwerk. Het vraatspoor is dat van de hele groep: bollen, knollen en wortels van onderaf aangevreten, wortels van jonge amandel-, olijf- en citrusbomen vlak onder de grond geschild, en in de winter geringde stammetjes. De keutels zijn vier tot zes millimeter lang, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in latrines in de gang. Braakballen van de kerkuil, op Sicilië onder oude gebouwen algemeen te vinden, zijn de snelste manier om de aanwezigheid van de soort vast te stellen.
Herkenning
Een middelgrote ondergrondse woelmuis; met 9,6 tot 10,4 cm kop-romplengte de grootste van de savii-groep. Bol kopje, stompe snuit, zeer kleine oogjes en korte, in de vacht verzonken oren. De staart is met 1,6 tot 2,6 cm zeer kort, minder dan een kwart van de kop-romplengte. De vacht is bruin met een geelbeige waas op de rug en zilvergrijs met een gele zweem op de buik. De literatuur noemt twee inwendige verschillen met Savi's woelmuis: vrouwtjes hebben zes tepels (twee liesparen en één borstpaar) tegen vier bij Savi's woelmuis, en de wervelkolom telt 45 wervels tegen 47 bij Savi's woelmuis.
Gelijkende soorten
Op Sicilië komt geen andere woelmuis voor; elke kortstaartige, kleinogige, gravende woelmuis op het eiland is deze soort. De overige kleine knaagdieren zijn eenvoudig te scheiden: de bosmuis heeft zeer grote oren, uitpuilende ogen en een staart zo lang als het lichaam, en beweegt zich springend voort; de huismuis is grijs, heeft een spitse snuit en een naakte, geschubde staart; zwarte rat en bruine rat zijn veel groter. Verwarring is eerder mogelijk met de spitsmuizen van Sicilië, die een spitse, beweeglijke snuit hebben. Op het Italiaanse vasteland leven Savi's woelmuis in het noorden en midden en Microtus brachycercus in het zuiden; beide zijn uitwendig niet van deze soort te onderscheiden. De Straat van Messina vormt de grens, zodat toewijzing op grond van de vindplaats mogelijk is.
Leefgebied
Open en halfopen land met een vergraafbare bodem: droge en matig vochtige graslanden, graanakkers, braakland, akkerranden, amandel-, olijf- en citrusgaarden, en de randen van eiken- en beukenbos en mediterrane maquis. De soort komt voor van 175 tot ongeveer 1700 meter, van de kustvlakte tot in de hoge Madonie. Vereist is vooral een bodem die diep en zacht genoeg is om in te graven; kale rots en harde, sterk uitgedroogde grond worden gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Uitsluitend Sicilië. De soort is over het eiland verspreid, met de Madonie, waar de typelocatie ligt, en de Nebrodi als kerngebied. Op de omliggende eilanden (Egadische eilanden, Eolische eilanden, Pantelleria, Lampedusa) is zij niet vastgesteld; het Italiaanse vasteland wordt door twee andere soorten van de groep bewoond. GBIF bevat zes waarnemingen met coördinaten; dat aantal weerspiegelt de geringe onderzoeksinspanning en niet de talrijkheid.
Levenswijze
Hierover is vrijwel niets vastgelegd. Vast staat dat de soort graaft en het grootste deel van het leven ondergronds doorbrengt, dat zij planteneter is met een groot aandeel ondergrondse plantendelen, en dat zij het hele jaar actief blijft. Voedselkeuze, worpgrootte, voortplantingsseizoen, sociale organisatie en leefgebiedgrootte zijn op Sicilië niet onderzocht. Wat de literatuur hierover vermeldt, is afkomstig van Savi's woelmuis op het vasteland, die inmiddels als andere soort wordt beschouwd, en is daarom niet zonder meer op deze soort van toepassing.
Waar en wanneer kijken
Loop in het voorjaar, na een regennacht, langs de randen van akkers en gaarden in de bergweiden van de Madonie of de Nebrodi; rijen verse aardhoopjes zonder open gat zijn op Sicilië van deze soort afkomstig. In amandel- en olijfgaarden wijzen jonge bomen die zonder zichtbare oorzaak verwelken op vraat; geschilde wortels bevestigen dat. Het dier zelf is alleen met veel geduld of via vangonderzoek waar te nemen. Braakballen van kerkuilen uit oude schuren of kerktorens leveren op een eiland met één woelmuissoort een zekere determinatie op.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024). De soort is pas recent als zelfstandig erkend en werd daarvoor binnen Savi's woelmuis beoordeeld. Zij is over Sicilië verspreid en plaatselijk talrijk. De voornaamste kwetsbaarheid is die van elke eilandendeem: er is geen tweede areaal. In gaarden en tuinen wordt de soort als schadelijk beschouwd en bestreden, met dezelfde nevenschade voor kerkuil, torenvalk en wezel als elders. Over populatiegrootte, trend en ecologie ontbreken vrijwel alle gegevens.
Wetenschappelijke naam
Microtus nebrodensis | (Minà-Palumbo, 1868)
Minà-Palumbo beschreef de soort in 1868 als Arvicola nebrodensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. nebrodensis betekent 'van de Nebrodi', het bergland in het noorden van Sicilië; de antieke naam Nebrôdê wordt gelezen als 'bergen van de hertenkalveren', bij het Griekse nebros 'kalf'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Italië, Sicilië.






