Alle soorten › Knaagdieren › Woelmuizen en hamsters › Fatio's woelmuis
Fatio's woelmuis | Microtus multiplex
Alpine Pine Vole | Topillo de Fatio
Fatio's woelmuis (Microtus multiplex) is een ondergronds levende woelmuis van de zuidwestelijke Alpen en de noordelijke Apennijnen. Binnen de groep van ondergrondse woelmuizen is het de enige soort met een uitwendig kenmerk dat soms bruikbaar is: een relatief lange staart. Verder is hij, zoals de Zwitserse zoöloog Victor Fatio in 1905 al vermoedde, nauwelijks van verwante soorten te onderscheiden, en berust de determinatie grotendeels op vindplaats en schedelkenmerken.
Van deze soort bestaat geen foto van een levend wild dier met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.
Sporen
Een graver, met gangenstelsels die per dier één tot zeven nestkamers kunnen bevatten. In alpenweiden en vochtig bergbos zijn kleine, lage hoopjes fijne aarde in slingerende rijen te vinden met dichtgestopte ingangen; open gaten maakt de soort niet. Een molshoop is groter, hoger, kegelvormig en uit kluiten opgebouwd, en ligt boven een verticale schacht; die van de woelrat is grover en heeft de gangopening zichtbaar aan de zijkant. Onder de graszode en het mos liggen vrijgemaakte looppaadjes van 3 tot 4 cm breed. Een kenmerkend spoor is de voorraadkamer: de soort legt ondergrondse voorraden aan van bollen en wortelstokken van krokus, geelster, druifhyacint en boterbloem; bij het openleggen van een gang in een berm in het voorjaar worden soms tientallen bolletjes bij elkaar gevonden. Bovengronds zijn afgebeten bladeren van groot hoefblad, monnikskap en nieskruid te vinden, en geknaagde bast aan de voet van jonge lariksen. De keutels zijn 4 tot 6 mm, cilindrisch met stompe uiteinden, en liggen in latrines in de gangen. De betrouwbaarste bron van waarnemingen zijn braakballen van kerkuil, bosuil en ruigpootuil.
Herkenning
Een middelgrote ondergronds levende woelmuis met een ronde kop, kleine ogen en korte oren die half in de vacht verborgen zijn, donkerbruin op de rug en grijs op de buik. Het onderscheidende kenmerk is de staart: met 4 tot 4,4 cm is de staart ongeveer veertig procent van de kop-romplengte; bij de andere ondergrondse woelmuizen in dit gebied is dat ongeveer een derde of minder. Vrouwtjes hebben vier tepels in twee liesparen. Kiezen en schedelbouw zijn nagenoeg identiek aan die van Microtus liechtensteini; het gebit alleen geeft hier geen uitsluitsel, wat binnen deze groep uitzonderlijk is.
Gelijkende soorten
Tegenover Microtus liechtensteini, die de zuidoostelijke Alpen bewoont, is de vindplaats beslissend: de twee grenzen ongeveer bij de Etsch aan elkaar en zijn morfologisch, tot en met het glazuurpatroon van de kiezen, niet te onderscheiden, maar ze komen niet op dezelfde plaats voor. De naam multiplex is lang ook voor de Dinarische dieren gebruikt; oudere waarnemingen uit Slovenië, Kroatië, Bosnië en Servië die nog onder deze naam in databestanden staan, horen bij liechtensteini. Tegenover de ondergrondse woelmuis (M. subterraneus), die een groot deel van het areaal deelt, is onderscheid moeilijker: die is kleiner en heeft een kortere staart, en de langere staart van Fatio's woelmuis is dan het bruikbaarste kenmerk, maar de maten overlappen en zekerheid geeft alleen de schedel. In de Apennijnen komt ook Savi's woelmuis (M. savii) voor, die het laagland en de heuvels bewoont, terwijl Fatio's woelmuis in de bergen leeft. In het veld te onderscheiden zijn: veldmuis en aardmuis, met grotere ogen en zichtbare oren, die bovengronds door graspaadjes lopen; de rosse woelmuis, met een roodbruine rug en een halflange staart; en de sneeuwmuis, die in dezelfde bergen leeft maar veel lichter grijs is, grote oren en een lange staart heeft en tussen rotsen leeft in plaats van in de bodem.
Leefgebied
Graslanden met een diepe, vochtige bodem: in het laagland en in dalen hooiland en weiland, in de bergen vooral vochtige bossen, bosranden en open plekken, en hoger alpenweiden met dwergwilg en de randen van hoogveen. In de Alpen tot 2800 m, in de Apennijnen vooral onder 1300 m.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
De westelijke en zuidwestelijke Alpen en de noordwestelijke Apennijnen: Zuidoost-Frankrijk (Savoie, Hautes-Alpes, Alpes-Maritimes), Zuid-Zwitserland (Ticino, Graubünden, Wallis) en Noordwest-Italië (Piëmont, Ligurië, Lombardije, Trentino); de typelocatie ligt bij Lugano. Er zijn ruim 1500 gegeorefereerde waarnemingen, de meeste uit Zwitserland en Frankrijk; voor deze groep is de soort daarmee goed gedocumenteerd. Dinarische meldingen onder deze naam berusten op de oudere, ruimere soortopvatting en horen bij M. liechtensteini. Buiten de Alpen en Apennijnen komt de soort niet voor.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Overwegend dagactief, met een polyfasisch ritme van acht tot zestien korte activiteitsperioden per etmaal, wat voor een ondergronds levende woelmuis veel is. Planteneter: bladeren van kruiden en ondergronds bollen en wortelstokken, die worden opgeslagen. De soort leeft monogaam; beide geslachten verdedigen een territorium, en het paar deelt het gangenstelsel maar slaapt zelden in dezelfde nestkamer. Zwitsers onderzoek geeft leefgebieden van gemiddeld 342 m² voor mannetjes en 229 m² voor vrouwtjes, die in de voortplantingstijd kleiner worden. De voortplanting loopt in principe het hele jaar door, met onderbrekingen; per worp één tot vier jongen, in gevangenschap gemiddeld 2,3. Er is geen winterrust; de dieren zijn ook onder de sneeuw actief.
Waar en wanneer kijken
Zoek in mei of juni in een vochtige alpenweide of langs een bosrand in Ticino, Wallis of de Savoie naar rijen kleine aardhoopjes; leg met een mes voorzichtig een gang open en meet de doorsnede. Omdat de soort veel overdag actief is, is het een van de weinige soorten uit deze groep die met geduld zelf te zien is: ga op tien meter van een gangenstelsel zitten, blijf stil en let op gras dat zonder wind beweegt. Let bij een waarneming direct op de staart, het enige kenmerk dat in het veld bruikbaar is. In de winter leveren braakballen onder een roestplaats de betrouwbaarste gegevens voor deze groep.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2024), met een aaneengesloten areaal en plaatselijk hoge dichtheden in alpien grasland. Er zijn geen grootschalige bedreigingen; wel neemt de soort af waar hooiland wordt omgezet in intensief, kruidenarm grasland of bebouwing, en waar bergweiden na het stoppen van de beweiding dichtgroeien. In boomgaarden en tuinen in de Alpendalen wordt hij plaatselijk bestreden. Zoals bij vrijwel alle ondergronds levende woelmuizen berust de beoordeling op de omvang van het areaal en niet op tellingen, omdat die ontbreken.
Wetenschappelijke naam
Microtus multiplex | (Fatio, 1905)
Fatio beschreef de soort in 1905 als Arvicola subterraneus multiplex; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Microtus is Grieks, van mikros 'klein' en ous, genitief ōtos, 'oor', naar de kleine oren die in de vacht wegvallen. multiplex is Latijn voor 'veelvoudig, veelplooiig', van multus 'veel' en de stam van plicare 'vouwen'. Fatio licht de naam niet toe; men denkt aan het ingewikkelde plooipatroon van de kiezen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zwitserland, Ticino.






