Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Gevlekte soeslik
Gevlekte soeslik | Spermophilus suslicus
Speckled Ground Squirrel | Ardilla Terrestre Moteada
De gevlekte soeslik (Spermophilus suslicus) is een grondeekhoorn met duidelijke witte vlekken over de hele rug. Sinds de westelijke populaties in 2024 als afzonderlijke soort (S. odessanus) zijn afgesplitst, omvat deze soort de steppe ten oosten van de Dnjepr. Sinds 2023 staat hij op de Rode Lijst als ernstig bedreigd, na een afname van het grootste deel van de populatie in dertig jaar.
Sporen
Het belangrijkste spoor is de kolonie. Holingangen van 5 tot 8 cm, rond tot iets ovaal en schuin de grond in, liggen met tientallen bij elkaar op één perceel; voor elke verse gang ligt een waaier van uitgegraven ondergrond die op de zwarte aarde van de Oekraïense en Zuid-Russische steppe licht afsteekt. Een kolonie is daardoor van afstand herkenbaar als een perceel met tientallen lichte plekken. Rond de ingangen is het gras korter en anders van kleur dan daarbuiten, en tussen de gangen lopen smalle, uitgesleten paadjes van hol naar graasplek. In de winter zijn de gangen van binnenuit met aarde dichtgestopt en niet zichtbaar; in maart zijn ze open, met verse grond eromheen. Keutels zijn klein, donker en langwerpig en liggen verspreid, niet in een latrine. Op akkerranden liggen afgebeten aren die naar de holen zijn gesleept. Het duidelijkste teken is het korte, scherpe alarmfluitje dat door de hele kolonie wordt herhaald, waarna de dieren enige tijd ondergronds blijven.
Herkenning
Kop-romp 19 tot 22 cm, staart 3,6 tot 5,7 cm, gewicht 180 tot 220 gram: een kleine, gedrongen grondeekhoorn met een staart van hooguit ongeveer een kwart van de kop-romplengte. Op de grijsbruine tot donker kastanjebruine rug staan scherp begrensde, room- tot zuiverwitte vlekken van 2 tot 5 mm, gelijkmatig verdeeld van nek tot stuit. De kop is warmer bruin, met een duidelijke lichte oogring en een kastanjebruine wangvlek onder het oog; kin en keel zijn wit, de buik geelwit. De oren zijn klein en rond, de staart is kort en dun met een donkere punt. Zoals alle soeslikken zit hij rechtop bij de holingang, met gestrekte hals en de voorpoten tegen de borst. De vlekken zijn in de zomervacht het duidelijkst; tijdens de rui halverwege de zomer vervagen ze.
Gelijkende soorten
Er is één soort waarmee de gevlekte soeslik in het veld verward kan worden, en daarvan is hij niet te onderscheiden: Spermophilus odessanus, de westelijke zustersoort, met dezelfde witte vlekken en dezelfde maten. De grens is de Dnjepr: ten oosten daarvan, in Oost-Oekraïne en Europees Rusland tot aan de Wolga, is elk gevlekt dier deze soort; ten westen ervan gaat het om S. odessanus. Het verschil ligt in het chromosoomaantal (34 tegen 36), niet in de vacht. Andere grondeekhoorns zijn goed te onderscheiden. De siesel, waarvan het areaal in de negentiende eeuw tot dicht bij dat van deze soort reikte, heeft geen echte vlekken maar een vage zwarte marmering, en leeft tegenwoordig ten westen van de Dnjepr. In de drogere steppe ten zuiden en oosten van het areaal leeft S. musicus, egaal zandkleurig zonder vlekken, en voorbij de Wolga de dwerggrondeekhoorn. Met de Turkse en Kaukasische bergsoorten komt hij nergens samen voor. Buiten het geslacht: de bobakmarmot leeft in dezelfde steppe maar weegt vijf kilo, de hamster is 's nachts actief en heeft een zwarte buik, en de Siberische grondeekhoorn heeft strepen in plaats van vlekken.
Leefgebied
Kortgrazige droge steppe, steppeweiden en open plekken in de bossteppe, op zwarte aarde en löss. In het cultuurlandschap: beweide hellingen, dijken, taluds langs wegen en spoorlijnen, akkerranden, braakland en oude begraafplaatsen. De eisen zijn dezelfde als bij andere soeslikken: diepe, droge, goed doorlatende grond en lage vegetatie. Waar de beweiding stopt, groeit het gras dicht en verdwijnt de kolonie binnen enkele jaren. Van zeeniveau tot ongeveer 500 m; natte laagten, zware klei en terrein dat in het voorjaar onder water staat worden gemeden.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Sinds de afsplitsing van S. odessanus omvat het areaal Oekraïne ten oosten van de Dnjepr en Europees Rusland, van de bossteppe bij Koersk en Voronezj, waar Güldenstädt in 1770 het type verzamelde, zuidwaarts over de Don en oostwaarts tot de Wolga. In de negentiende eeuw bestond dit gebied uit aaneengesloten steppe; nu is het vrijwel geheel akkerland, en de soort leeft in de resterende steppefragmenten. In West- en Midden-Europa komt de soort niet voor. Waar de literatuur de gevlekte soeslik voor Wit-Rusland en Polen noemt, gaat het om S. odessanus.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Dagactief, met een piek in de ochtend en in de late namiddag. De soort is koloniaal maar niet sociaal: de dieren wonen dicht bij elkaar, maar elk volwassen dier heeft een eigen gangenstelsel en een klein eigen territorium, en de soort is minder groepsgericht dan de meeste grondeekhoorns. Het voedsel bestaat uit grassen, kruiden, zaden, bollen en knollen, in de zomer ook graan van aangrenzende akkers, verder sprinkhanen en kevers en bij uitzondering een jonge muis of een legsel eieren. De winterslaap duurt van augustus of september tot februari of maart, een half jaar of langer, zodat de bovengrondse periode minder dan vijf maanden beslaat. De gang wordt van binnenuit dichtgestopt. Kort na het ontwaken wordt gepaard; na een draagtijd van ongeveer 27 dagen worden gemiddeld zes jongen geboren, die na een maand bovengronds komen en in hun eerste zomer bijna volgroeid zijn. Ze planten zich voort na één winterslaap. Predatoren zijn vos, bunzing, steppebunzing, hermelijn en grote valken en arenden van de steppe; in het wild wordt de soort zelden ouder dan drie jaar.
Waar en wanneer kijken
Zoek van eind maart tot half juni, in de ochtend, op een beweide helling of een oude steppedijk in Oost-Oekraïne of Zuid-Rusland. De kans op een waarneming is klein en kolonies zijn moeilijk te vinden: zoek eerst op satellietbeelden of met een kijker naar percelen met tientallen lichte vlekken, en loop die af. Ga zitten en wacht na het eerste alarmfluitje minstens tien minuten. Voor foto's van de vlekkentekening is mei de beste maand, voordat de rui de vlekken doet vervagen. De zustersoort S. odessanus in Zuidoost-Polen is gemakkelijker waar te nemen en ziet er hetzelfde uit.
Staat van instandhouding
Ernstig bedreigd (CR, 2023). De IUCN beschrijft een afname van negentig procent of meer in dertig jaar, voor een steppeknaagdier dat lang als algemeen gold. De oorzaken zijn dezelfde als bij andere soeslikken, maar deden zich hier gelijktijdig voor: het omploegen van de laatste steppepercelen, het wegvallen van de extensieve veehouderij na 1991, waardoor het gras hoog opgroeide, chemische bestrijding in de Sovjettijd, die de dichte populaties sterk verkleinde, en droogte. Er resteren kleine, geïsoleerde kolonies die niet meer met elkaar in verbinding staan, omdat jonge dieren zich zelden verder dan enkele honderden meters verplaatsen. Door de oorlog in Oekraïne zijn tellingen en beheer in een groot deel van het areaal niet mogelijk. Voor herstel is, net als bij de siesel, beweiding van de resterende percelen nodig; die maatregel is hier onder de huidige omstandigheden bijzonder moeilijk uitvoerbaar.
Wetenschappelijke naam
Spermophilus suslicus | (von Güldenstädt, 1770)
Von Güldenstädt beschreef de soort in 1770 als Mus suslica; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. suslicus is het Russische soeslik 'grondeekhoorn', de volksnaam die Güldenstädt in de steppe optekende. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Rusland, Voronezh.



