Alle soorten › Knaagdieren › Eekhoorns en marmotten › Dwerggrondeekhoorn
Dwerggrondeekhoorn | Spermophilus pygmaeus
Little Ground Squirrel | Spermophilus pygmaeus
De dwerggrondeekhoorn (Spermophilus pygmaeus) is een soeslik van droge steppe en halfwoestijn ten oosten van de Wolga, op zoutsteppe en stuifzand waar de vegetatie in juni al verdort. Het is de kleinste en kortstgestaarte van de Europese soeslikken. Hij is minder dan honderd dagen per jaar boven de grond; de rest van het jaar brengt hij door in zomerrust die zonder onderbreking overgaat in winterslaap. In Europa komt hij alleen in het uiterste oosten voor.
Sporen
Het belangrijkste spoor is de kolonie, die in het open landschap van grote afstand zichtbaar is. De holingangen zijn klein, 4 tot 7 cm, en lopen bijna verticaal de grond in. Voor elke ingang ligt een lage waaier van uitgegraven, lichter zand. Kolonies zijn groot en de ingangen liggen dicht bij elkaar, gewoonlijk honderden per hectare. Rond elke ingang is de vegetatie weggegraasd tot op de kale grond, met daaromheen een kring van lager en anders gekleurd gras; op zoutsteppe ontstaat zo een patroon van lichte ringen. Een groot deel van het jaar zijn de gangen van binnenuit met aarde dichtgestopt en alleen te herkennen aan een prop grond net onder het maaiveld; in augustus en september is een kolonie daardoor bovengronds zonder activiteit. Keutels zijn klein, donker en droog en liggen verspreid. De alarmroep is een korte, scherpe fluittoon.
Herkenning
Kop-romp 17,5 tot 26 cm, staart 2,5 tot 5 cm, gewicht rond 235 gram. Een kleine, gedrongen soeslik met de kortste staart van het geslacht, ongeveer een zesde tot een vijfde van de kop-romplengte. De rug is bruingrijs met een okerkleurige en geelachtige waas, fijn gespikkeld door lichte haarpunten maar zonder vlekken; de kop is duidelijk donkerder en warmer okerkleurig dan de rug, wat op afstand het bruikbaarste kenmerk is. Flanken en buik zijn licht geelwit, de oogring is weinig opvallend. De staart is licht grijsgeel met een bleke punt en zonder zwarte zoom. De oren zijn zeer klein en rond, de ogen groot en zwart. In verse zomervacht is de soort bleker dan in het voorjaar; volwassen dieren zijn aan het einde van de actieve periode zwaar en traag door de vetreserves.
Gelijkende soorten
Het verspreidingsgebied is het doorslaggevende kenmerk. Sinds de herziening van 2024 omvat deze soort alleen de populaties ten oosten van de Wolga: de trans-Wolga-steppe van Rusland en West- en Midden-Kazachstan tot het Aralgebied. Ten westen van de rivier, in de steppe tussen Wolga en Dnjepr en op de Krim, leeft S. musicus, die vroeger tot deze soort werd gerekend en er ook in de hand nauwelijks van te onderscheiden is; de Wolga vormt de grens. Ten noorden en westen daarvan leeft de gevlekte soeslik, met duidelijke witte vlekken, en verder westwaarts S. odessanus en de siesel. Ten oosten en zuidoosten van het areaal komen twee verwante soorten voor: de gele grondeekhoorn (S. fulvus) van de Kazachse woestijnen is twee tot vier keer zo zwaar en veel groter, en de roodwangige grondeekhoorn (S. erythrogenys) is forser, met roodbruine wangen en een langere staart. Buiten het geslacht is de bobakmarmot veel groter, en zijn de steppelemming en de hamsterachtigen kleiner, niet overdag actief in open terrein en korter van hals.
Leefgebied
Droge graslanden: veersteppe en alsemsteppe, zoutsteppe, halfwoestijn en de randen van stuifzandgebieden, op lichte, zandige en zoutige grond. Ook op akkerranden, braakland, beweide hellingen en bermen van wegen en spoorlijnen. Hoge en natte vegetatie wordt gemeden; de soort heeft schaars begroeide, droge, gemakkelijk te graven grond met vrij zicht nodig. Tot ongeveer 500 m hoogte. In de zuidelijke helft van het areaal verdort de vegetatie al in juni; het jaarritme met een korte actieve periode sluit daarop aan.
Waar het dier het meest voorkomt, ingedeeld volgens EUNIS — de Europese standaard voor leefgebieden.
Verspreiding
Het areaal begint ten oosten van de Wolga en strekt zich oostwaarts uit over de trans-Wolga-steppe van Rusland en over West- en Midden-Kazachstan tot het Aralgebied en het Mangyshlak-schiereiland aan de Kaspische Zee. In West- en Midden-Europa komt de soort niet voor. In de negentiende en twintigste eeuw werd de soort ruimer opgevat, met inbegrip van de Krim en de hele Zuid-Russische steppe; die westelijke populaties worden sinds 2024 tot S. musicus gerekend, waardoor het Europese deel van het areaal sterk is verkleind. In de laatste twee decennia zijn de noord- en westrand van het areaal teruggeweken.
- Inheems
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Levenswijze
Uitsluitend dagactief. Van de Europese zoogdieren heeft deze soort de kortste actieve periode per jaar: in het zuiden van het areaal is hij slechts 80 tot 100 dagen per jaar actief. Hij komt in maart of april boven, paart binnen enkele weken en werpt na een draagtijd van 25 tot 26 dagen twee tot twaalf jongen, gemiddeld zes tot acht, die na drie weken bovengronds komen. De volwassen mannetjes gaan al in de tweede helft van juli of in augustus ondergronds; de zomerrust gaat zonder onderbreking over in de winterslaap, die tot maart duurt, in totaal vijf tot acht maanden. De gang wordt van binnenuit dichtgestopt. De soort leeft in dichte kolonies waarin elk volwassen dier een eigen gangenstelsel heeft. Het voedsel bestaat uit grassen, kruiden, bollen, knollen en zaden, in de zomer ook graan van aangrenzende akkers, aangevuld met sprinkhanen en kevers. Predatoren zijn steppebunzing, vos, korsak, hermelijn en vooral steppearend en sakervalk, die plaatselijk grotendeels van deze soort leven. Hij wordt zelden ouder dan drie jaar.
Waar en wanneer kijken
De beste periode is april en mei, in de ochtend. Zoek op een beweide of braakliggende vlakte in de trans-Wolga-steppe of in West-Kazachstan naar het patroon van kale plekken met een lichte aardkraag, en wacht. Dichte kolonies zijn niet zeldzaam; de dieren zitten dan op veel plaatsen tegelijk rechtop. Vanaf half juni neemt de activiteit snel af en in augustus zijn vrijwel alle dieren ondergronds. Fotografeer de korte staart en de donkere, okerkleurige kop, de twee bruikbaarste kenmerken, en noteer de exacte plaats: ten westen van de Wolga gaat het om S. musicus.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd (LC, 2016), met een grote populatie over een groot gebied, maar met een dalende trend. In de Sovjettijd werd de soort op grote schaal chemisch bestreden als plaag in de graanbouw en als drager van de pest; die campagnes hebben de dichtheden blijvend verlaagd. Sinds de jaren negentig zijn er tegengestelde oorzaken bijgekomen: waar akkerland werd verlaten, groeide het gras hoog op en verdwenen de kolonies, en waar de veestapel groeide, raakten de weiden overbegraasd. Daarnaast speelt verdroging: in delen van de Kaspische laagvlakte is de vegetatie zo schaars geworden dat kolonies een droge zomer niet meer overbruggen. De beoordeling uit 2016 betreft nog de ruime soortopvatting, met inbegrip van de populaties die nu tot S. musicus behoren; een beoordeling van de soort in engere zin ontbreekt nog. Enkele Europese randpopulaties zijn in de laatste dertig jaar verdwenen.
Wetenschappelijke naam
Spermophilus pygmaeus | (Pallas, 1779)
Pallas beschreef de soort in 1779 als Mus citillus varietas pygmea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Spermophilus is Grieks, van sperma 'zaad' en philos 'liefhebbend': de zaadliefhebber, naar het voedsel dat het dier in zijn wangzakken naar het hol draagt. pygmaeus is Latijn pygmaeus, van het Griekse pygmaios 'dwergachtig', eigenlijk 'een vuist hoog', bij pygmē 'vuist'; het is de kleinste van de Europese grondeekhoorns. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kazachstan, Indersk.




